Archief

‘Ik wilde mijn schrijven niet als therapie gebruiken’

Pijn

Zeruya Shalev

€ 21,99

<p>Interview met Zeruya Shalev</p>

<p>‘Ik wilde mijn schrijven niet als therapie gebruiken’</p>

<p>De Israëlische schrijfster Zeruya Shalev (1959) overleefde twaalf jaar geleden ternauwernood een terroristische aanslag op een bus. Dit gegeven heeft ze gebruikt om in haar roman Pijnde moeizaamheid van intermenselijke relaties te laten zien. Nadrukkelijk terzijde, zoals het hoort bij fictie. Ze laat op ingenieuze wijze lichamelijke en geestelijke pijn in elkaar overvloeien. Shalev is niet voor niets naast David Grossman en Amos Oz de meest gelezen schrijver uit Israël. Pijn is een wonderschoon strijdtoneel van emoties.</p>

<p>Shalev: ‘Journalisten willen je vooral spreken over het autobiografische element in een boek. Dat schijnt tegenwoordig het allerbelangrijkste te zijn. Wanneer ik aan een journalist toegeef dat een aspect in een boek autobiografisch is, gaan ze er doorgaans voetstoots vanuit dat het boek helemaal getekend is naar mijn leven. Een wereldwijd fenomeen, heb ik gemerkt. En in je eigen taalgebied geldt het nog sterker. Daar sta je nog meer in de spotlights. Het is algemeen bekend dat ik ernstig gewond ben geraakt bij die explosie. Men eiste haast dat ik daar non-fictie over zou schrijven, mij politiek zou uitspreken. Een ze-krijgen-ons-niet-klein-boek over mijn herstel. Ik ben geduldig, wil best keer op keer uitleggen dat ik zo niet werk.</p>

<p></p>

<p>De lezers van boeken kan het naar mijn idee niet veel schelen. Zij weten ergens dat het verhaal dat je vertelt waarachtig is, waarachtig moet zijn. De details moeten kloppen, de emoties invoelbaar zijn. Zelfs als ik ,zoals in dit geval, de aanslag gebruik, probeer ik iets nieuws te maken. Ik ben niet geïnteresseerd in het schrijven van dagboeken. De creativiteit schuilt in het koppelen van deze ervaring aan een totaal nieuwe familie, aan personages, aan een vrouw die ik zelf ook moet ontdekken. Ik schrijf meestal over zaken die ik niet heb meegemaakt. Het beroep van schrijver houdt in dat je je kunt inleven in situaties, dat je reacties van mensen onderzoekt. Kortom, het werken met verbeelding. Een schrijver is geslaagd wanneer de materie zo eigen is gemaakt dat het aanvoelt als autobiografisch.’</p>

<p>Iris, het hoofdpersonage in Pijn, is als zeventienjarige verlaten door haar grote liefde Eitan. Het was meer dan kalverliefde, het was in retrospectief de liefde van haar én, zoals in de loop van de roman blijkt, van zijn leven. Een relatie die door afwezigheid is geïdealiseerd? Een pijn die de hele tijd met je mee wordt gedragen, die een gewoon dagelijks leven bijna onmogelijk maakt. Na dertig jaar komen ze elkaar bij toeval weer tegen.</p>

<p>‘Ik heb een dergelijke situatie niet meegemaakt, maar tijdens het schrijven van deze roman voelde ik die liefde, die enorme schuld, de spijt, ja, de pijn. Ik ging nadrukkelijk nadenken over de tweede kans die ze krijgen. Dat is in feite mijnoverleving die ik op de personages heb geprojecteerd, in een totaal ander verband. Juist die verschuiving maakt het interessant, geeft me als schrijver een breed spectrum van mogelijkheden. De tweede kans die de geliefden krijgen, wordt steeds duidelijker een illusie, het leven in een verleden dat niet meer bestaat. Ze zijn beiden andere personen geworden, om te beginnen met kinderen en (ex)partners. Iris ziet dat conflict steeds duidelijker, in tegenstelling tot Eitan die volhardt in een romantische totaalliefde. Iris realiseert zich steeds meer dat het niet een tweede kans is om weer “even jong te zijn”, om weer hartstochtelijk lief te hebben, maar dat het een compleet nieuwe kans is om echt te kiezen, voor haar man en zeker voor haar kinderen. Ze is in feite altijd een slaaf van het verleden geweest.</p>

<p>Op het gevaar af heel cynisch te klinken: hoop en liefde zijn overgewaardeerd. Nu ja, in elk geval de totale, romantische overgave aan de liefde. We hebben de bijna kinderlijke wens om samen één te worden. Dat lukt maar hoogst zelden. Het is pijnlijk zijn om gescheiden te zijn, ook in een bestaande relatie, maar het kan soms een stuk gezonder zijn. De (verloren) liefde is in het geval van Iris op zoveel verschillende manieren destructief geweest. Ze heeft ernaar gehongerd en daarmee haar leven verruïneerd. Als je ernaar streeft om één te zijn, kun je jezelf niet zijn. Ha, het lijkt wel iets mathematisch. Dat geeft ook de mogelijkheid de pijn van een ander te her- en erkennen. Het niet alleen vanuit ons eigen perspectief te zien. Fysieke en emotionele pijn zijn vaak op mysterieuze wijze met elkaar verbonden. Pas toen ik helemaal hersteld was van de gevolgen van de aanslag kon ik weer schrijven. Ik heb maanden en maanden op bed gelegen. Vrienden drongen er bij me op aan dat ik mijn tijd zou benutten om aan het werk te gaan. Er moest nog een boek afgemaakt worden. “Doe iets met jezelf!” Maar ik wilde mijn schrijven niet als therapie gebruiken.’</p>

<p>Iris moet eigenlijk zelf ook weer herstellen van ‘de nieuwe liefde’, van de tweede kans voordat ze haar dochter Alma, die onder de invloed van een goeroe is geraakt, eventueel uit dat gat, uit die vergelijkbare slavernij kan helpen.</p>

<p>‘Iris realiseert zich dat ze Alma nooit onvoorwaardelijke liefde heeft gegeven. Dat ze niet de beoogde dochter is die ze met Eitan had willen hebben. Het moet een vloek zijn om zo te leven, met een dergelijk groot gemis. Een collectief gevoel, ook in mijn eigen leven. Wat we hebben, is niet wat we willen. </p>

<p>Dit is haar echte tweede kans: dat ze niet haar leven verandert, maar haar perspectief. Dat is soms alles wat we nodig hebben. Iris is nooit uit geweest op overspel, op emotionele avonturen. Zij heeft als directrice van een school altijd gefunctioneerd. Die structuur was voor haar belangrijk. Het werk als vervanger van emoties. Als je niets voelt, lijd je niet, of in elk geval minder.</p>

<p>Alleen Eitan zat haar voortdurend in de weg, jaagde haar gevoelsmatig op, jaar in jaar uit. Alleen hij kon haar in dit turbulent avontuur doen storten. Geen enkele andere man. Hij is de enige mogelijke katalysator. Je kunt het eigenlijk niet als overspel kwalificeren. Langzaam herwint ze een zekere innerlijke tevredenheid. Ze heeft veel probleemkinderen geholpen. Heeft de opvliegendheid van haar eigen zoon met veel geduld weten te temperen. Ze kan en mag van zichzelf best weer trots zijn op het leven dat ze heeft geleid. Ik ben gefascineerd door de (universele) wereld van emoties. Die te onderzoeken is het werk van de schrijver. Dat is waarmee ik me wil bezighouden, niet met terroristische aanslagen, met de politiek.’</p>

<p>Alle familieleden hebben, nadat Iris slachtoffer werd van de aanslag, elk op hun eigen wijze geprobeerd om hun best te doen, maar de ‘belangen’ van eenieder lijken moeilijk te verenigen. Alma wil haar moeder verzorgen, maar Iris wil in deze toestand liever niet door haar kinderen worden gezien.</p>

<p></p>

<p>‘Het is niet onmogelijk, maar lastig om in een dergelijke situatie – en misschien wel in alle situaties binnen een familie, binnen een gemeenschap – een voor eenieder bevredigende oplossing te vinden. We moeten onze verwachtingen naar beneden bijstellen. De gebeurtenissen in het leven zijn als een ketting aan elkaar geklonken. Het is een illusie dat we ons lot kunnen sturen. Je ziet het bij elke aanslag, bij elke ramp opnieuw. Mensen die zeggen: “Was hij of zij maar een minuut later van huis gegaan.” Iris bracht die dag bij uitzondering de kinderen naar school en werd op de terugweg getroffen door de bom.</p>

<p>Deze familie houdt zich hoogstens terzijde bezig met politiek, met de terreur. Ze geven c.q. nemen de schuld op zich. De man omdat hij normaal de kinderen wegbrengt, de zoon omdat hij zich een tijdlang op de wc had opgesloten omdat hij geen zin had in school, de dochter omdat ze beslist nog een Franse staart door haar moeder gevlochten wilde hebben. Het is heel extreem hoe persoonlijk het leven in Israël is, de ramp wordt verbonden aan intieme zaken. Het kleinste detail maakt het verschil tussen leven en dood. Het heeft me jaren gekost voordat ik erover kon schrijven, voordat ik me in Iris in kon leven. Het schrijven via haar over de aanslag, heeft mijn brein geopend voor andere opties, voor verschillende perspectieven. Dat is mijn tweede kans geweest. Zo functioneert mijn schrijven ook. Voor duidelijkheid heb je eerst chaos nodig.’</p>

<p>Dit interview verscheen eerder op <a href="http://www.literatuurplein.nl/rubriek.jsp?rubId=332">Literatuurplein.nl</a>.</p>

Onheilig van Roos van Rijswijk

Onheilig

Roos van Rijswijk

€ 18,99

<p>Ondanks dat de literatuur steeds meer een bijwagen begint te worden in boekenland, vliegen de debuten je om de oren. En daarbij valt de laatste jaren op dat het vooral de werken van vrouwen zijn, al dan niet van Vlaamse origine, die imponeren, die in elk geval grote beloften in zich dragen. Onheilig van Roos van Rijswijk (Amsterdam, 1985) is zo’n boek. Een roman: vormtechnisch, wat betreft het onderzoeken van mogelijkheidsfactoren, het gebruik van de taal, en met betrekking tot het laten zien van de emoties achter diezelfde taal, achter de scènes, achter de handelingen van de personages.</p>

<p>Als het zou bestaan, dan zou je Van Rijswijk een natuurtalent kunnen noemen, maar ‘de natuurlijke schrijver’ is een mythe. Welgemeende adviezen en (over)bekende adagio’s daargelaten, iedereen moet zijn of haar eigen schrijfweg zien te vinden. Alle clichés zijn waar, maar je moet ze zelf doorlopen. En dat heeft ook weer iets moois. Ik geef u op dit blaadje dat Van Rijswijk hard aan deze tekst heeft gewerkt. En de kracht is juist dat je het niet terugziet, in de zin van dat het boek overgeconstrueerd is, of dat er opzichtig aan de taal is gesleuteld. Geen mooischrijverij, maar een idioom dat streeft naar helderheid. Wanneer Van Rijswijk haar teksten iets minder compact kan brengen, dan moet zij in staat zijn om echte meesterwerken te produceren. Zij beheerst namelijk nu al de zogenaamde kleine twist. Een woord, een bijzin die een scène net een gekantelde lading geeft. De kracht van de eenvoud.</p>

<p>Dood is dood, zei ik laatst tegen je en je knipperde niet eens met je ogen.</p>

<p>Een zevenenvijftigjarige vrouw is dodelijk ziek. Haar therapeute Jacoba heeft haar de opdracht gegeven om een dagboek bij te houden. Er is een man, Leendert, die af en toe wat wiet komt brengen om haar lijden te verlichten. Een oudere zus, van de verwijtgeneratie, en haar zoon Miguel, de vrucht van een korte relatie met een zo goed als onbekende Mexicaan. Het is een wonder dat een dergelijke jonge schrijfster de naderende dood zó kan aanvoelen, dat het testament van de moeder zo waarachtig is. Dat heeft met eerlijkheid te maken, van personage én van schrijfster. De stervende vrouw neemt geen blad voor haar mond, voor zover ze dat gedurende haar leven ooit heeft gedaan. Haarscherp fileert ze haar eigen tekortkomingen en die van anderen. Geen tijd meer voor het omfloersen van gedachten en gevoelens. Eigenlijk heeft ze nooit van het kind gehouden. Haar man Alfons, overduidelijk niet de vader, deed aangifte van het kind. Geboortekaartjes werden er niet gestuurd. Op z’n achttiende vertrok hij uit huis.</p>

<p>Ik weet niet of mijn leven eindigde toen Miguel kwam, ik neig naar dat laatste. Het eindigde toen ik doorhad dat hij zou komen, toen het te laat was om hem tegen te houden. […] Ik ben gedoemd familiebanden te hebben die niet goed voor me zijn; zelfs als kind zoog die jongen het leven uit alles wat in zijn buurt kwam.</p>

<p>Nu, jaren later, heeft Miguel zijn baan eraan gegeven en heeft hij een huisje verbouwd in het Duitse kuuroord Nieheim (Nomen est omen, ‘geen thuis’, het bestaat echt, ligt niet ver van Paderborn in Noordrijn-Westfalen, vlak bij Hessen.) Twee jaar lang is er geen contact tussen moeder en zoon. Voor zover dat er in de voorgaande decennia wel is geweest. In elk geval vindt de zus van de stervende vrouw dat ze het aan hem moet vertellen. Maar hoe, Miguel heeft alleen het adres van het stadhuis van Nieheim opgegeven. Fijne vervreemding.</p>

<p>Hoe haarscherp zet Van Rijswijk haar personages neer. De zus komt binnen met de obligate bak soep ‘voor in de vriezer’. Even daarvoor had ze getelefoneerd.</p>

<p>Zus huilde, ik denk alleen om het idee, haar adem klonk zwaar in de telefoon.</p>

<p>Daar is weer zo’n kleine twist, in dit geval een behoorlijk cynische constatering van de stervende.</p>

<p>Ik had nooit gedacht dat ik je zou overleven, zei ze. Het is nog niet te laat, zei ik.</p>

<p>Voor haar ziekte is ze er te goed aan toe. (Een herkenbaar, wat vreemd verwijt. ‘Je kunt het aan jou niet zien.’ ‘Je leeft nog.’ Wat voor schuld willen mensen soms toch dat je op je laadt?) En dat terwijl ze wel van het goede leven hield. Waarschijnlijk heeft ze in de loop der jaren nogal eens wat voorgewend. (Ze beeldde zich als jong meisje in aan de vallende ziekte te lijden. In zekere zin komt dat als een soort ‘ziekte-lemma’ nu weer terug. ‘De angst voelt als vallen, ook weer als vallen.’) Uiteindelijk krijgt Miguel via via een brief van haar. Hij wil bewijs zien, attesten van dokters.</p>

<p>De briefachtige bespiegelingen van de moeder worden afgewisseld met stukken in hij-vorm die Miguel in Duitsland beschrijven. Miguel die daar zijn eigen huis heeft gebouwd op een berg en daar samen met twee aanlopers leeft: een jong katertje en Jorge, een Spanjaard of Mexicaan, een grote jongen met een geestelijke achterstand. De goegemeente beschouwt hen, kort door de bocht zoals een dergelijke gemeenschap kan zijn – als twee broers. Dezelfde gebronsde huid en donkere haren. Miguel heeft de behoefte om zich alleen terug te trekken, maar kan tegelijkertijd geen afstand nemen van de forse jongen. Jorge heeft driftbuien, maar kan wel goed hekjes timmeren, schilderen en kersen plukken. Ze vullen hun dagen met klusjes. Als Jorge maar af en toe de harde nummers van de band Unheilig kan draaien, blijft de situatie beheersbaar.</p>

<p>Dan werkt Van Rijswijk bekwaam naar een apotheose toe, die, goed zo, eerder een teleurstelling is, voor de personages welteverstaan, beslist niet voor de lezer. Zoals in het echte leven er vaak geen ruimte is om iets mooier voor te doen. De moeder gaat met haar laatste krachten alleen ‘op vakantie’ naar Duitsland. Zoonlief gaat met zijn sidekick naar Amsterdam. Heel krachtig is ook aan Onheilig dat Van Rijswijk nergens verzandt in (over)bekende beschrijvingen van lichamelijk verval. Je kunt medelijden hebben met je lichaam, bijna als een aparte entiteit. De vorm, de monoloog interieur, zorgt ervoor dat de schrijfster het meest intieme van haar protagonist ‘heel particulier’ aan de lezer kan presenteren. De stervende vrouw is (excuus, het drong zich op) in deze roman als personage echt tot leven gekomen.</p>

<p>Deze recensie verscheen eerder op <a href="http://www.literatuurplein.nl/recensie.jsp?recensieId=887">Literatuurplein.nl</a></p>

Moeders Zondag van Graham Swift

Moeders zondag

Graham Swift

€ 19,99

<p>Wij mensen leven op verhalen, meer dan we ons soms realiseren. Een verhaal, in de zin van een interpretatie van een gebeurtenis, een enscenering, kan je hele leven bij je blijven, een bepalende factor worden. De Engelse wereldschrijver Graham Swift (1949) schetst in zijn tiende roman Mothering Sunday : A Romance met zijn typische, taaltechnisch net gekantelde schrijfstijl – onderkoeld en barstenvol emotie tegelijk – wat een enkele dag, wat een paar eerder toevallige dan geplande uren teweeg kunnen brengen.</p>

<p>Het is 30 maart 1924. Mothering day is de voorloper van Moederdag, eerder een religieuze aangelegenheid waarbij de hele familie samenkomt in de dichtstbijzijnde kerk, of liever nog kathedraal, om de moederkerk te eren. Maar allengs is deze traditie uitgegroeid tot een feestdag van het moederschap, eerder seculier, commercieel. Tijdens het begin van de vorige eeuw een beetje in het slop geraakt, maar, als herdenkingsdag aan de vele zonen die in ’14 – ’18 op het continent zijn gesneuveld weer in ere hersteld.</p>

<p>Hoofdpersonage in wiens hoofd de lezer verkeert, is de in 1901 – of daaromtrent, ze is een wees – geboren Jane Fairchild. Iemand die, let wel, dus eigenlijk geen duidelijk omlijnde identiteit heeft. Haar naam is immers door de leiding van het weeshuis gegeven, als een soort eerste positieve wending in het leven. Daarnaast heeft ze er leren lezen en schrijven. In tegenstelling tot veel van dat soort instellingen, waar in andere romans uitgebreid over wordt verhaald, was het weeshuis waar Jane te vondeling was gelegd, een positiever oord.</p>

<p>Als veertienjarige is ze ‘uitgezet’ als dienstertje bij rijke families. Ze verdient een centje bij met hand- en spandiensten van lichamelijke aard. Zeven jaar later is zij de enige dienstmeid in het wat personeel betreft sterk uitgedunde landhuis Beechwood. Samen met een kokkin bestiert ze het hele huishouden.</p>

<p>En daarnaast heeft ze een geheime verhouding met de jonge zoon Paul Sheringham van de naburige ‘mansion’ Upleigh, waar de familie nog slechts bestaat uit Paul en zijn vader en moeder. Van Pauls twee oudere broers rest nog slechts een foto in een zilveren lijst. Gevallen in de Grote Oorlog.</p>

<p>De roman opent in deze slaapkamer. Jane ligt op bed, Paul staat voor het raam dat uitkijkt op de oprijlaan. Ze zijn beiden naakt, na de daad. Direct een typische Swift-twist. Paul praat over een paard dat de familie tot aan 1915 in bezit had, genaamd Fandango (sic! Een dans in drie-vierde maat.) Vader en moeder bezaten het hoofd en het lijf, de zoons elk een been. Maar van wie was dan het vierde been – gelijk de suggestie van een persoon op de achtergrond? Een geheime liaison, een traditie in de upper class. Prompt legt Paul zijn hand op het been van Jane.</p>

<p>Swift weet het momentum in de slaapkamer van de jongeman lang vast te houden. Het is ook een bijzondere gebeurtenis, voor zowel de jonge lord als voor de dienstmeid van de buren. Eerder troffen ze elkaar in het tuinhuis, achter bosschages of in de stallen. Op deze dag ligt ze voor het eerst in zijn bed. Voor even als zijn gelijke, misschien zelfs zijn meerdere. Jane kon dankzij het feit dat haar meneer en mevrouw en de Sheringhams al vroeg naar een feestje waren afgereisd zomaar over de oprijlaan komen aanfietsen, zonder bang te zijn voor het knerpen van het grint. Oók een heroïsche daad van Paul. De lords en ladies van de regio komen samen om de plannen aan te horen met betrekking tot het aanstaande huwelijk van Paul met een meisje uit hun eigen kringen.</p>

<p>De monoloog interieur van Jane is adembenemend. Het ‘rollenspel’ van Swift is haarscherp, ongemeen roerend, uiteraard zonder ook maar een milliseconde sentimenteel te zijn. Zo noemt Jane Paul in zijn slaapkamer ‘madam’. Hij was het immers die gebeld heeft naar Beechwood om met haar af te spreken, terwijl zij de hoop om hem op deze vrije dag te zien al had opgegeven en haar middag aan het lezen van een boek van Joseph Conrad wilde schenken. Zij stond hem eerder telefonisch te woord en deed voorkomen alsof een mevrouw een verkeerd nummer had gekozen.</p>

<p>Je waant je direct terug in de belle epoque, de tijd die eerder vergeet-feestelijk was dan werkelijk vreugdevol. Voor even weet Swift op geloofwaardige wijze de verschillen tussen de klassen, ja, tussen de seksen op te heffen. Door niets anders dan naaktheid, mens-zijn, door niets anders dan liefde. Het elkaar uitkleden, op zinderend rustige wijze, is bijzonder sensueel. Voor even zijn ze echte minnaars.</p>

<p>Pauls aarzeling achteraf om zich voor zijn elders wachtende verloofde weer aan te kleden – met in de ogen van Jane verstrekkende gevolgen – doet deze tekst in je borstkas groeien. Je zou haast willen dat de Franse schrijver/regisseur Philippe Claudel – in dezelfde league als Swift opererend – de verfilming van dit feeërieke boek op zich nam.</p>

<p>De lezer krijgt het gevoel dat dit verhaal aan hem of haar persoonlijk wordt verteld. Een intimiteit die versterkt wordt door het plot – nu ja, de inkapseling van deze gedenkwaardige zondag in het leven van Jane. Was het een afscheid, zouden er ook als Paul getrouwd is nog mogelijkheden open blijven om elkaar te zien? Zoals gezegd een bekend arrangement in zijn kringen. Na zich langzaam aangekleed te hebben verdwijnt Paul naar zijn sportwagen, zonder een kus of een groet, slechts met een indrinkende blik. Voor het laatst?</p>

<p>Jane is niet in de positie om te vragen bij haar te blijven – dergelijk drama is voorbehouden aan dames van stand – en zij blijft liggen. Paul zegt alleen dat ze de kamer zo mag achterlaten en dat de sleutel beneden op het dressoir ligt. Toe maar. Het geheel is natuurlijk ingegeven door een opvoeding met duidelijk standsverschil. De vlek in het laken kan hem niets schelen. Hij hoeft aan niemand verantwoording af te leggen. De eigen meid is natuurlijk ook gewend om een oog dicht te knijpen en haar mond te houden. Het eufemistische denken en handelen laat Swift ook doorschemeren in de taal. Paul en Jane noemen sperma bij de naam, downstairs spreekt men van ‘nachtelijke emissies’ of van ‘de Britse eilanden’.</p>

<p>Swift schakelt na Pauls vertrek een tandje hoger en laat Jane voor even lady of the manor zijn. Ze dwaalt door de kamers en laat daardoor op een zekere manier haar wezen achter. Ze is namelijk naakt, alleen ‘getooid’ met een pessarium, in het Engels een ‘Dutch cap’. Soms draagt ze dus, ahum, twee kapjes. Op haar dienstmeidenkamertje heeft ze alleen een spiegeltje van pakweg vijftien bij vijftien. Hier kan ze de schaduw van haar lichaam via manshoge spiegels op de muren werpen. En in de keuken een stuk van een hartige taart eten. Niet op de hoogte van wat er zich tegelijkertijd elders afspeelt.</p>

<p>De lezer wordt door Swift via terloopse zinnen op het gebeurde voorbereid, over welke op deze plek geen uitsluitsel wordt gegeven. Jane vindt in elk geval redding in de bibliotheek van Beechwood en later in een boekhandel. Dit valt wel te verklappen: Jane wordt een schrijfster. De basis daarvoor is ideaal. Een ‘pseudoniem’ heeft ze als het ware al. En als dienstmeid is ze gewend om te zwijgen, om te observeren. Maar haar echte drijfveer is die ene Mothering Sunday. Het geheime verhaal wat ze aan niemand ooit zal vertellen, behalve aan de gelukkige lezer van deze roman. Langzaam wordt duidelijk dat Jane wordt geïnterviewd over haar schrijverschap. Maar voor de (redelijk beperkte) interviewer houdt ze haar ware (schrijvers-)ik angstvallig verborgen.</p>

<p>Dit is de eerste keer dat Graham Swift, behalve in de autobio Het maken van een olifant, over het schrijfproces verhaalt, nee over een schrijver. Over de ware beweegredenen van een échte schrijver, een mens die verhalen leeft. Maar wel op zulk een welhaast onnavolgbare wijze dat hij tegelijkertijd meer over zichzelf laat voelen, terwijl hij eigenlijk niet in de tekst aanwezig is, zoals het een échte schrijver betaamt, zich helemaal heeft weggecijferd. Zo ver dat alles binnenstebuiten draait. Een innerlijk testament. Dit is Swifts meest persoonlijke boek. Zijn allerbeste? Vergelijkingen binnen een oeuvre – en trouwens ook daarbuiten – zijn eigenlijk onzinnig, aangezien boeken hoogstens verre neven van elkaar zijn, maar Mothering Sunday : A Romance is een magnum opus op zich. Een boek over grootschalig verlies – de zonen die geslachtofferd zijn – maar ook van triomf, waarachtige liefde en de vreugde van de creativiteit, het scheppen, het tot leven brengen.</p>

<p>Laat u zich niet door de omvang misleiden. Uitgelezen wijn behoeft geen krans, een meesterwerk geen dik pak papier. Mothering Sunday is een romance met de taal. Een boek met weinig woorden, maar barstensvol gevoel, met een bedwelmende zeggingskracht. Schrijven als het vasthouden van het hier en nu, het uitvinden van een ‘nieuw’ idioom.</p>

<p>It was about finding a language. And it was about being true to the fact, the one thing only followed from the other, that many things in life – oh so many more than we think – can never be explained at all.</p>

<p>Nog een paar van de onnoemlijk veel met lichtheid geladen zinnen, vanwege de schoonheid in het Engels:</p>

<p>When she was asked, in the interviews, to describe the atmosphere of those wartime years (meaning of course, the First War), she would say that it was so long ago now and so like another world that trying to remember it was a bit like – writing a novel.</p>

<p>Words were like an invisible skin, enwrapping the world and giving it reality. Yet you could not say the world would not be there, would not be real if you took away the words. At best it seemed that things might bless the words that distinguished them, and that words might bless everything. We are fuel. We are born, and we burn, some of us more quickly than others. </p>

<p>Dit interview verscheen eerder op <a href="http://www.literatuurplein.nl/recensie.jsp?recensieId=894">Literatuurplein.nl</a>.</p>

Plotseling, liefde van Aharon Appelfeld

Plotseling, liefde

Aharon Appelfeld

€ 21,99

<p>De in 1932 in de Oekraïne geboren Israëliër Aharon Appelfeld schrijft per definitie met de handrem op, maar als hij iets van zijn eigen geschiedenis weggeeft, zoals wederom in het zojuist in vertaling verschenen Plotseling, liefde, dan bloeit zijn pen op. Deze roman is oorspronkelijk uitgebracht in 2003 en hier heeft Appelfeld zich nog verstopt achter het masker van een schrijvende man van pakweg zijn eigen leeftijd. Later, in De man die niet ophield met slapen (oorspronkelijk in 2009, in vertaling in 2012), heeft hij zijn eigen intrigerende geschiedenis van tijdens en net na de Tweede Wereldoorlog haast zonder masker verteld. Hij ontsnapte op zijn achtste uit een concentratiekamp, overleefde de rest van de oorlog in eenzaamheid in de bossen. In 1946 kwam hij in Palestina aan en kreeg een Joodse naam, een jongen die voornamelijk de taal van de vijand sprak: Duits.</p>

<p>De uitgeefgeschiedenis aangaande deze romans is dus hier ten lande verwisseld, maar op zich maakt dat niet uit, het masker waarachter Appelfeld zich verbergt, is heel transparant. Het neemt de scherpe kantjes weg, zorgt er paradoxaal genoeg voor dat het pijnlijke beter te verdragen is én tegelijkertijd sterker invoelbaar is. </p>

<p>De eerste vrouw en het kind van hoofdpersoon Ernst zijn door de nazi’s omgebracht. Hij is per toeval in Israël terechtgekomen. Hij woont alleen, van zijn tweede vrouw is hij gelukkig gescheiden, een ongekende haaiebaai die niets begreep van zijn schrijfambities. In die zin dat hij voor zichzelf schrijft, voor zijn la. Zij dacht aan grote oplages, aan roem, aan geld. Ernst denkt alleen aan het vinden van de juiste woorden, in zijn geval een levenslange queeste. Behalve het schrijven – een last en een lust tegelijk – vormt het enige lichtpunt in het bestaan van Ernst zijn hulp Irene, een vrouw die de lagere school niet heeft afgemaakt, een dochter van Holocaust-overlevers die tegen haar altijd hebben gezwegen. ‘Hun stilte was hun wezen.’ Ze hebben haar wel financieel in goede doen achtergelaten. Elke morgen komt Irene stip om acht uur om het ontbijt te maken, ’s middags zo rond drie vertrekt ze weer.</p>

<p>Plotseling, liefde is een vormtechnisch hoogstandje. Appelfeld laat Ernst en de vrouw van half zijn leeftijd in korte hoofdstukken steeds dichter bij elkaar komen. Zij heeft een formidabel luisterend oor, een sterke behoefte om voor Ernst te zorgen. Antwoorden op zijn vragen heeft ze niet, of wil ze liever niet geven. Zijn verzoek om na zijn dood alle papieren te vernietigen brengt haar uit balans, boezemt haar angst in. Zoveel verantwoordelijkheid heeft ze nooit gehad. Ernst wordt ziek, kan zijn dagelijkse routine niet meer volhouden, maar weet zich er toch toe te brengen om een paar uur per dag aan zijn bureau te gaan zitten en aan het ultieme boek te werken. Het is mooi om te zien hoe hij langzaam zijn stijl vindt, hoe hij de juiste woorden ontdekt. Af en toe leest hij haar stukken voor. Het bedwelmt haar, omdat ze uit dezelfde streek afkomstig zijn.</p>

<p>Heel soepel, heel natuurlijk, zijn de belevenissen van de jonge Ernst als fervent antisemitisch (sic!) communist verweven in de hoofdstukken. Irene krijgt op deze wijze ook informatie over haar achtergrond. Ernst blijkt het niet bij zijn ouders te moeten zoeken, maar bij de levens van zijn grootouders. Daar weet hij écht bij aan te knopen, hun wezen te karakteriseren.</p>

<p>Ernst putte zich niet uit in beschrijvingen, maar bracht soms een woord uit dat fris was als een peer die zojuist was geschild en op een bordje werd opgediend.</p>

<p>Zo schrijft Appelfeld ook. Geen woord te veel, en toch zit de tekst barstensvol gevoel. Dit boek is een schrijverscredo. Alles wat eenvoudig lijkt, kraakhelder, is zwaarbevochten. Het toneel van een zware strijd. Niemand is zo moeilijk tevreden te stellen – als het goed is – als de schrijver zelf. Wanneer het hart er vrede mee heeft, dan glinsteren de passages. Dat is het wonder van het schrijven. En in deze roman ook het wonder van de liefde, van het tot elkaar komen van twee mensen. Het is mooi hoe Irene Ernst uit de wanhopige diepten weet te trekken – al is het maar met haar verschijning, haar verzorgde kleding, de exquise gerechten die ze maakt – en daarbij zelf ook een zekere loutering ondergaat.</p>

<p>Ze was een vrouw als alle andere vrouwen, en toch anders. [ … ] Soms leek ze een vrouw die kon luisteren, maar meestal was ze in zichzelf gekeerd. Soms onwaarde hij een glimlach op haar gezicht, als om een binnenpretje. Nu en dan zei ze ‘Godzijdank’. Als ze dat deed, wilde Ernst weer tegen haar zeggen: het is niet netjes zo te koop te lopen met je geloof; geloof moet verborgen blijven. Maar dat zei hij uiteraard niet.</p>

<p>Het is subtiel zoals de twee protagonisten elkaar aftasten, stukje bij beetje meer wagen. Dat duet volstaat voor een hele roman. Je zou kunnen zeggen dat Appelfeld eigenlijk elke keer min of meer hetzelfde boek schrijft. Hopelijk weet hij voor zijn universele verhaal nog veel verschillende vormen te vinden. Je kan er eenvoudigweg geen genoeg van krijgen. Plotseling, liefde is een hoopvol boek. Het einde hoeft niet eenzaam te zijn. Met Ernst maakt Appelfeld eerst het hart van de lezer rijp, schetst een kader en kleurt dan de beelden in, zorgt voor bloed door de aderen. Wanneer Ernst erg ziek wordt, houdt hij zich vast aan het schrijven en aan Irene. Hij is blij met zijn werk, blij met zijn routine, waar Irene duidelijk een grote plek inneemt, zeurt niet en predikt niet. Appelfeld is helder. Geen onnodige mooischrijverij. De beelden spreken voor zich. Voor de goede verstaander is de werkelijke inhoud van zijn boeken heel duidelijk zichtbaar.</p>

<p>Deze recensie verscheen eerder op <a href="http://www.literatuurplein.nl/recensie.jsp?recensieId=880">Literatuurplein.nl</a></p>

Recensie: Rodaan Al Galidi - Hoe ik talent voor het leven kreeg

Hoe ik talent voor het leven kreeg

Rodaan Al Galidi

€ 24,95

Hoe ik talent voor het leven kreeg van Rodaan Al Galidi

door Guus Bauer (Schrijver, ex-Exuitgever, vast medewerker van De Standaard en freelance literair journalist)


Wij martelen niet, we zijn een geciviliseerde maatschappij

Overeenkomsten met bestaande personen, gebeurtenissen of plaatsen berusten op louter toeval, staat er voorin de nieuwe roman Hoe ik talent voor het leven kreeg van Rodaan Al Galidi (1971). Een gotspe van de bovenste plank. Je zou beter kunnen zeggen: iemand die zich in een van de personages meent te herkennen, zou weleens gelijk kunnen hebben.

Nadat Rodaan zijn studie als bouwkundig ingenieur in Irak had afgerond, vluchtte hij het land uit om aan de dienstplicht onder dictator Saddam Hoessein te ontkomen. Na omzwervingen in Azië kwam hij in 1998 op Schiphol terecht en vroeg asiel aan. Dat werd na jarenlang getouwtrek, of eigenlijk alleen maar jarenlang wachten in een asielzoekerscentrum, op onduidelijke gronden geweigerd. Omdat hij boven de achttien was, mocht hij niet naar school. Hij leerde zichzelf Nederlands, met behulp van een enkele ‘lerares’ van een jaar of acht oud en met veelvuldige bezoeken aan de bibliotheek.

Na een aantal jaren raakte hij uitgeprocedeerd en kreeg een aanzegging om het land binnen 28 dagen te verlaten. Een standaardbrief die nog vele malen zou worden gezonden. Ondertussen bleef hij ‘woonachtig’ in het AZC. In 2007 kondigde de Nederlandse regering een generaal pardon aan. Rodaan kreeg na negen jaar een verblijfsvergunning. Let wel, in die tijd zaten er in asielzoekerscentra ook mensen die soms al bijna twintig (!) jaar wachtten op nieuws over hun status, of die als uitgeprocedeerden vegeteerden. Omdat Rodaan in 2011 niet slaagde voor de inburgeringscursus, heeft de IND, de Immigratie- en Naturalisatie Dienst van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, overigens het recht om de vergunning weer in te trekken.

Zouden ze dat als ‘wraak’ op het schrijven van deze roman doen? Het is na lezing én na de persoonlijke ervaringen die recensent dezes als jurist in dezelfde tijd met vreemdelingenzaken heeft opgedaan, en in zijn persoonlijke leven met een vluchtelinge, op zijn zachtst gezegd heel goed denkbaar. Deze organisatie is star, inconsequent en vooral erg ondoorzichtig. Regels zijn regels, maar af en toe buigen we die om onverklaarbare redenen om. Het is de kruideniersmentaliteit, de bureaucratie ten top. Ja, meer dan in andere Europese lidstaten. Het is Kafkaësk Nederland op z’n smalst. Wanneer er opnieuw een uitwijzing komt, een brief met een sommatie om het land binnen 28 dagen te verlaten, zal er dan massaal protest komen, of wordt er massaal de andere kant op gekeken? Er zullen toch wel schrijvers, kunstenaars zijn die in dat geval hun stem verheffen, hoe klein de invloed van de culturele mens in de huidige maatschappij ook is.

Om zijn ervaringen met het systeem op te tekenen heeft Rodaan drastische maatregelen genomen. Hij die in zijn gedichten en andere romans bekend staat om zijn fraaie bloemrijke taal – een gevolg van het mengen van een andere moedertaal met een aangeleerd schrijfidioom, hetgeen bijna altijd een opfrissing, een vernieuwende kijk op de taal oplevert, denk ook aan Herta Müller – heeft deze roman in een klip en klaar Nederlands geschreven. Een heldere woordenstroom als antwoord op de bureaucratische brij, de ongekende willekeur. Daarnaast heeft Rodaan ‘om schrijver te blijven zonder hoofdpersoon te zijn’ voor een verteller gekozen: Semmier Kariem, iemand afkomstig uit Irak, uit hetzelfde dorp als hijzelf. Een buurman als het ware. Uit het voorwoord:

Dit verhaal zat me dwars. Erover schrijven lukte nooit goed, zelfs er openhartig over spreken vond ik moeilijk. Ook jaren later kon ik het er niet echt over hebben. Ik wilde verder. Ik begon het onderwerp te mijden, om niet weer meegesleurd te worden door herinneringen aan toen. [ … ] Misschien zal mij gevraagd worden of dit mijn verhaal is. Dan zeg ik: nee. Maar als mij gevraagd wordt: Is dit ook jouw verhaal? zeg ik volmondig: ja. Dit boek is fictie voor iemand die het niet kan geloven, maar non-fictie voor iemand die ervoor open staat. Of nee, laat dit boek non-fictie zijn, zodat de wereld waarin ik jarenlang heb moeten verblijven, verandert van fictie in non-fictie.

De aankondiging van een wrang literair spel, een terechte klaagzang over de manier waarop sinds de jaren negentig wordt omgesprongen met vluchtelingen, politiek dan wel economisch. Desgevraagd zijn alle namen fictief, maar een aantal ambtenaren van de Sociale Dienst en van de Vreemdelingenpolitie en sommige baliemedewerkers van het AZC en vrijwilligers zullen zich wel achter de oren krabben.

Rodaan fileert genadeloos de ‘Nederlandse nuchterheid’, geeft een schokkend beeld van de zogenaamde no-nonsense mentaliteit van de medewerkers. Gechargeerd? Deze roman is waarschijnlijk eerder zelfs een understatement. Hulpverleners raken na verloop van tijd natuurlijk ook afgestompt door het systeem, door de regelgeving die ontmenselijkt. Hun handen zijn ook vaak gebonden. Al hoeft een blinde asielzoeker zich niet elke dag te melden, al is er voor een verslaafde kamergenoot van de hoofdpersoon bijzonder veel aandacht. Maar dat leidt ergens weer tot jaloezie onderling bij de bewoners van het AZC. Niets menselijks is ons vreemd. Driften komen nu eenmaal in een dergelijke afgebakende omgeving sterker naar voren.

Rodaan laat Semmier natuurlijk vooral zijn kant van het verhaal vertellen, maar het is niet eendimensionaal. Hij ontziet ook zijn medebewoners niet. Een bont gezelschap, heel treffend neergezet. Er zijn wel degelijk ook toneelspelers bij. Die krijgen vaak nog het meeste voor elkaar. Maar is het niet overal zo dat een oprecht, eerlijk mens eerder over het hoofd wordt gezien? 

Hoe ik talent voor het leven kreeg is een belangwekkende, rijke roman over angst, onzekerheid, willekeur en uitzichtloosheid, geschreven door iemand die tenminste dan nog de taal als reddingsboei kon gebruiken. Velen hadden en hebben dat geluk niet en worden depressief, gek, slaafs, monddood, lethargisch of maken zelfs een eind aan hun leven. (Een stuk of acht gedurende het verblijf van Semmier in het AZC in de kleine Nederlandse stad.) Tegelijk is het, hoe vreemd dit ook moge klinken, een avonturenroman. Een mens wordt inventief wanneer men wordt begrensd. Tussen schapen in een vrachtwagen van Irak naar Jordanië. Met allerlei smokkelaars en valse paspoorten langs de grenzen in verschillende Aziatische landen. Het ten einde raad dan maar in een ander Europees land proberen, met alle gevolgen van dien. Rodaan laat Semmier in retrospectief over zijn pogingen om ergens gewoon te mogen leven vertellen. Waar dan ook.

Stel je een gebouw voor met vijfhonderd mensen erin. Sommige mensen zijn te moe of te gek geworden van het lange wachten Zo’n gebouw verandert vanbinnen in een enorm graf, waarin de tijd van een paar honderd mensen begraven ligt.

Het asielzoekerscentrum als een vergeetplaats voor ‘probleemgevallen’. Je moet ze ergens kwijt wanneer men eigenlijk liever verkiest om weg te kijken. Dankzij deze roman heeft het eindeloze wachten, de verhulde xenofobie en de angst en vertwijfeling heldere woorden gekregen.

Deze recensie verscheen eerder op Literatuurplein.nl.

Recensie: Penelope Mortimer - De pompoeneter

De pompoeneter

Penelope Mortimer

€ 19,99

De pompoeneter van Penelope Mortimer

door Guus Bauer (Schrijver, ex-Exuitgever, vast medewerker van De Standaard en freelance literair journalist)

Het huwelijk van de schrijfster en journaliste Penelope Mortimer (1918–1999) met de toneelschrijver John Mortimer werd in hun tijd beschouwd als een voorbeeldige verbintenis. Ze waren regelmatig te gast op evenementen van de Londense High Society. Maar wanneer je de intense, semi-autobiografische roman De pompoeneter leest – met op het omslag een alleszeggende still van hoofdrolspeelster Anne Bancroft uit de verfilming – dan moet dat toch voornamelijk beschouwd worden als uiterlijke schijn. Het boek is opgedragen aan haar man, maar dat is eerder een aanklacht, een opdracht in de andere zin van het woord: kijk naar wat je overspelige karakter, wat je desinteresse teweeg heeft gebracht. (Mortimer had overigens zelf ook een aantal kinderen uit buitenechtelijke relaties.)

Het is ook een afspiegeling van de tijd, geschreven in 1962, toen er voorzichtig verandering kwam in de positie van de vrouw binnen en buiten het huwelijk. De naamloze hoofdpersoon, laten we haar voor het gemak Penelope noemen, worstelt met het veelkoppige huishouden – ze heeft uit allerlei verbintenissen kinderen –, met de zorgen om de bejaarde ouders, met filmsterretjes die voor haar man over de vloer komen en met jeugdherinneringen en de angst dat de toekomst alleen nog meer ellende zal brengen. Maar toch, een beetje ook voor de lieve vrede, blijft ze hopen, maakt ze zichzelf wijs dat het allemaal ten goede zal keren wanneer hun nieuwe huis – een glazen toren op het platteland – eenmaal is voltooid. Tegelijkertijd spreekt uit het hele boek dat ze heel wel weet dat ze zichzelf een rad voor ogen draait. Dat is nog het meest schrijnende.

Voor de depressies die haar regelmatig zwaar treffen wordt ze door manlief Jake afgescheept naar een therapeut. (De scène waarin ze Jake en een arts afluistert is typerend voor ‘het lijdend voorwerp’, over wie door derden wordt beslist.) De roman opent met een zwart-komische sessie bij diezelfde psychiater. Penelope vraagt zich af of ze een obsessieve kinderwens heeft. De een kruipt net rond als ze alweer verlangt naar een nieuwe zoetgeurende baby. De psychiater stelt onmogelijke vragen, Penelope reageert spitsvondig. Hij vraagt bijvoorbeeld of ze van kinderen houdt, gezien het grote aantal dat ze al onder haar hoede heeft. Met een blik op het formulier heeft hij het over ‘een opmerkelijk aantal’. De sessie is fijntjes beschreven. Langzaam leer je over het verleden van Penelope, over de verschillende mannen in haar leven, inclusief haar vader. Zou het, wanneer je even voor amateur-Freudiaan speelt, zo kunnen zijn dat Penelope met de kinderen zich aan een man wil binden, dat ze bij de baby’s de geborgenheid vindt - ook al is het maar voor een paar maanden – die ze bij de mannen mist. De psychiater concludeert zomaar dat ze een sterke neiging heeft tot zelfvernietiging. Ze krijgt pillen. Hij dringt bij elke sessie aan dat ze over haar man vertelt. Heel voortvarend oppert ze dat misschien Jake eens op gesprek moet komen.

Bijna zegt ze de waarheid, dat ze niet meer van Jake houdt, maar ze zwijgt. Het uitspreken van die bekentenis zou het te zeer voor haarzelf bevestigen. Dan zou de ondraaglijkheid ook voor haarzelf pas echt aan het licht komen Ze heeft de kracht niet om wederom op een breuk aan te sturen. Uiteindelijk gaat ze op zwaar aandringen van Jake akkoord met een abortus én sterilisatie. Eigenlijk wordt daardoor haar enige vluchtweg ontnomen. Mortimer onderging in het jaar dat ze De pompoeneter schreef zelf deze behandeling. Dat verklaart de enorme intensiteit van de beschrijving van de ingreep en de directe gevolgen, de nasleep die langer is dan velen (vooral mannen) denken. In het geval van Mortimer ontdekte ze ook nog eens dat haar man John een verhouding had en dat zijn minnares had aangedrongen op de abortus en de sterilisatie. De gruwelijke liefde die koste wat kost concurrenten wil elimineren.

De scènes in retrospectief waarin de ouders van beide zijden op de hoogte worden gebracht van het voorgenomen huwelijk zijn wrang komisch en o zo herkenbaar. De vader van Jake waarschuwt Penelope voor zijn zoon en de vader van Penelope waarschuwt Jake voor zijn dochter:

Ik moet wel zeggen dat het me voor een jongeman die zijn leven nog voor zich heeft waanzin lijkt om zichzelf op te zadelen met een stel kinderen en een vrouw die zo overduidelijk inefficiënt is als deze dochter van mij.

En tegen zijn dochter:

Ik weet niks van die … filmbusiness, en om je de waarheid te zeggen, heb ik er niet veel vertrouwen in. Maar ik wil niet dat je over vijf jaar met nog eens een stuk of vijf kinderen extra en nog een mislukt huwelijk weer naar huis komt.

De mening van een pragmatische man zullen we maar zeggen. Penelope trouwt met Jake, staat zelfs toe dat haar eerste drie kinderen naar een internaat worden gestuurd, hetgeen natuurlijk voor bijna totale vervreemding zorgt. Jake wordt een succesvol scenarist (net als Mortimers man) maar het geld zorg hoogstens voor een beetje meer comfort. Penelope wordt een soort aftrekpost. In 1971 scheidde Mortimer van haar man John.

De pompoeneter is een gelaagde zwarte komedie met goed gedoseerde sterke beelden, geschreven in een aangename meanderende stijl. Mortimer weet je met haar fijne steken onder water goed te raken. Penelope heeft een scherpe geest. De lezer is zich voortdurend bewust dat Penelopes brein haar vaak gevoelsmatige beslissingen niet begrijpt. Penelope lijdt lichamelijk, maar de ware pijn zit in deze tweespalt. Mensen houden zichzelf vaak voor de gek. Dat is een overlevingsmechanisme. Alleen zo is het leven draaglijk.

Deze recensie verscheen eerder op Literatuurplein.nl.

Recensie: Peter Urban - Anton Tsjechov: een fotobiografie

Anton Tsjechov een fotobiografie

P. Urban

€ 49,50

Anton Tsjechov : een fotobiografie van Peter Urban

In zijn testament vermaakt Anton Tsjechov (januari 1860–juli 1904) zijn bezit en de inkomsten uit zijn werken voornamelijk aan zijn familie, zijn zuster Maria, koosnaam Masja, voorop. Natuurlijk krijgt zijn vrouw Olga ook een van zijn datsja’s en een flinke som geld, maar na de dood van zijn zuster en moeder dienen de overgebleven gelden en rechten te worden overgedragen aan het bestuur van Tsjechovs geboortestad Taganrog, ‘ten behoeve van de volksontwikkeling’. Tsjechov besluit zijn testament met: ‘Help de armen. Zorg voor moeder. Leef in vrede met elkaar.’ Het is de vraag of na de Oktoberrevolutie van 1917 Taganrog nog veel aan de erfenis heeft gehad. (Tsjechov werd vanwege zijn sympathie voor de gewone man door de eerste communistische machthebbers als aanroeper van de revolutie beschouwd, maar verdween onder Stalin in de ban.)

Uit het zojuist verschenen kloeke werk Anton Tsjechov, een fotobiografie, samengesteld door de Duitse vertaler van zijn werk Peter Urban, blijkt dat de illustere Russische (toneel)schrijver en arts weliswaar over een snijdende spot beschikte, waarbij hij zichzelf niet bepaald spaarde, maar dat hij ook begaan was met zijn medemens. Hij bouwde immers diverse scholen rond zijn eerste landgoed en bleef, ondanks dat hij zich eigenlijk volledig aan zijn ‘minnares’ de literatuur wilde wijden, toch ook bij zijn ‘eega’ de medicijnen.

Urban mag met recht een kenner van de persoon en zijn werk genoemd worden. Het prachtig uitgevoerde ruim 350 pagina’s tellende boek op A-4 formaat is zoveel meer dan een overzicht van bestaande en tot nog toe onbekende foto’s van de schrijver van onder meer de toneelstukken De kersentuin, Drie zusters, Ivanov en Oom Wanja, van in totaal bijna driehonderd prozawerken, voornamelijk korte verhalen, novelles. Die je vaak eigenlijk ook romans kunt noemen, vanwege de lengte, de opbouw, de afgeronde thematiek. Of gewoon omdat de term ‘roman’ ook maar een los-vaste afspraak is.

Het is een uiterst nauwkeurig samengesteld testament, zo goed als van de hand van Tsjechov zelf. De foto’s worden namelijk begeleid door brieven die hij over de desbetreffende periode schreef aan familie, kunstvrienden en veel aan zijn uitgever A.S. Soevorin. Daarnaast zijn er pamfletten afgedrukt, diploma’s, stukken uit kranten, omslagen van eerste drukken, opdrachten in boeken, voorbeelden van de brieven in handschrift, schilderijen over de bezochte plekken van bevriende schilders en van zijn broer Nikolaj en door hemzelf afgewezen passages of korte verhalen. Maar er is niet alleen de twijfel die hoort bij het schrijverschap. Eens te meer wordt weer eens duidelijk dat censuur van alle tijden is. Ook in de Tsaristische tijd moesten teksten voorgelegd worden aan de censor en werden ‘onwelvoeglijkheden’ geschrapt.

Anton Tsjechov, een fotobiografie is een echt koffietafelboek, in de zin dat het meermaals, of eerder telkens weer met een andere invalshoek te bekijken valt. Houdt het in de buurt! Het verdient aanbeveling om eerst eens rustig door de chronologische jaren van de grootmeester te dwalen. Zijn kindertijd in de zuid-Russische provincie, waarbij hij op een gegeven moment alleen achterbleef als student-leraar van de zoon van de nieuwe eigenaar van het door een faillissement van zijn vaders handelsonderneming onteigende huis. Zijn afkomst van vaders- en moederkant wordt uitvoerig belicht. Zijn grootvader was een lijfeigene uit de Oekraïne, die zichzelf en zijn kinderen vrij had gekocht.

Je leert over de sturende werking van zijn studie voor het schrijverschap, het integreren van de wetenschap in zijn literaire werk, over het eerste succes in Moskou en Sint-Petersburg, de reis die hij maakte naar het gevangeniseiland Sachalin, de verschrikkingen die hij daar zag, de volkstelling die hij daar hield, zijn reizen naar West-Europa, zijn landgoederen in eerst Melichovo en later in Jalta. De vele datsja’s die hij kocht en weer afstootte. Maar bovenal wordt fijn gefaseerd duidelijk wat de schrijfomstandigheden waren. Dat hij spijt had van zijn ‘achteloosheid’, het heen en weer worden geworpen tussen twee disciplines. Waar hij steeds naar de bevrijding zocht om waarachtig werk te maken. Hij formuleerde in een brief aan broer Aleksandr, douaneambtenaar en schrijver, zijn schrijfcredo’s – niet die voor de broodschrijverij – maar voor oprechte literatuur. (Origineel en tegelijk zo vanzelfsprekend.) De problematiek rondom publicatie blijkt van alle tijden. Een brief aan A.N. Plesjtsjejev, redacteur bij een tijdschrift waarin Tsjechov publiceerde:

In mijn verhaal komen geen twee stemmingen voor, maar wel vijftien; heel wel mogelijk dat u dit ook drek zult noemen. Het is inderdaad drek. Maar ik vlei me met de hoop dat u er twee of drie nieuwe personen in zult zien die interessant zijn voor iedere intellectuele lezer; dat u een of twee nieuwe situaties zult zien. Ik vlei me tevens met de hoop dat mijn drek enig kabaal zal veroorzaken en het vijandelijke kamp tot schelden zal verleiden. En we kunnen niet zonder dat schelden, want in onze tijd, de tijd van de telegraaf, het theater van Goreva en de telefoons, is het schelden de zuster van de reclame.

Er zijn ontmoetingen met Lev Tolstoj, met Maksim Gorki. Schilders en schrijvers komen regelmatig bij hem logeren. Tsjechov is sociaal bewogen en durft het zelfs op te nemen voor voornoemde Gorki wanneer de toetreding als erelid in de Academie der wetenschappen op keizerlijk bevel nietig wordt verklaard. Hij verzoekt op hilarische wijze zichzelf ook de schrappen als erelid. Ook in de Dreyfuss-affaire neemt hij een duidelijk standpunt in.

Hij heeft al jaren last van zijn gezondheid en overwintert derhalve in Nice, Biarritz of in latere jaren in Jalta. Regelmatig geeft hij bloed op. Een arts die niet gezond is. Hoe verwoord je dat. ‘… een onwettige verbinding met bacillen. [ … ] Met mij is alles in orde, alles behalve één klein ding – mijn gezondheid.’ Zijn conditie hield hij voor zijn familie angstvallig geheim. De tuberculose velde hem uiteindelijk in een hotel in het kuuroord Badenweiler.

Het valt op dat Tsjechov vaak als enige of een der weinigen recht in de camera kijkt, waar de rest van het gezelschap, zeker als het de toneelspelers van een van zijn stukken betreft, nogal opzichtig poseren, zoals in die tijd gebruikelijk. Tsjechov komt heel ongekunsteld over, eigenlijk zoals in zijn brieven. Wat een fijne humor, wat een mooie zelfspot, alles geschreven op een rustige toon, zonder behoefte om te preken. Zijn teksten zijn niet voor niets nog steeds in druk. Het is wat je zou kunnen noemen ‘het Elsschot-effect’. Kraakheldere taal, beroering, die de tijd doorstaat. (Misschien moet dat begrip wel worden herbenoemd.)

Na van het geboortedorp bij de afbeelding van de eenvoudige steen op het graf van Tsjechov te zijn gekomen, kan men in de zeer uitgebreide appendix allereerst de handige chronologie tot zich nemen, waarbij dient te worden aangemerkt dat Tsjechov de Juliaanse kalender hanteerde, die dertien dagen achter loopt op de Westerse kalender. Tsjechov is dus naar Westers idee op 30 januari 1860 geboren en op 15 juli 1904 overleden. Uit de voetnoten die werkelijk elke afbeelding en elke tekst nog eens nader toelichten, blijkt wel hoe zorgvuldig Urban te werk is gegaan. Urban is een ware navorser gebleken. Het categoriseren en in de juiste volgorde plaatsen van de verschillende (foto)documenten moet al een monsterklus geweest zijn, maar het is zoals altijd slechts het topje van de ijsberg, onder water steekt een enorme hoeveelheid research en kennis. Werkelijk alles wat maar enigszins van belang kan zijn, wordt uit de doeken gedaan. Het minste is nog waar bijvoorbeeld de afgebeelde schilderijen nu hangen, uit welk perspectief ze zijn geschilderd, wie de opdrachtgever was en wat voor materiaal er is gebruikt.

Handschriften die bij de eerste blik en ook bij nadere bestudering, zelfs met een loep, niet zijn te ontcijferen – ook niet voor mensen met enige of vergevorderde kennis van het Russisch – zijn in de appendix volledig vertaald te vinden. Werkelijk een schat aan informatie, die eigenlijk uitnodigt om verder te gaan zoeken, om het werk van Tsjechov te gaan (her)lezen. Een uitgebreid personenregister, met uiteraard weer informatie over alle genoemde hoofd- en bijfiguren vervolmaakt deze geweldig uitgevoerde biografie. Tsjechov was mordicus tegen gemeenplaatsen, maar het moet even. De moed van de samensteller en de uitgevers dient beloond te worden. Dit boek mag niet in de kast ontbreken, waarde lezer, waarde bibliothecaris.

Deze recensie verscheen eerder op literatuurplein.nl.

Recensie: Anne Folkertsma - Hans Fallada (biografie)

Hans Fallada

Anne Folkertsma

€ 29,99

Mijn brein, mijn hele leven is tot een voorraadkamer geworden voor iets wat op een dag geschreven moet worden

De ondertitel van de biografie over Hans Fallada van Anne Folkertsma luidt Alles in mijn leven komt terecht in een boek. Echte literatoren leven hun verhalen en dat gold zeker voor deze waarschijnlijk meest maniakale schrijver aller tijden. Hans Fallada, pseudoniem van Rudolf Ditzen (1893–1947), was geboren om aan de zijlijn te staan, een hypergevoelige observator pur sang. En dan is het tijdsgewricht waarin hij leefde ook nog eens allesbepalend voor een continent, zo niet de hele wereld. Het Duitse Keizerrijk, de Eerste Wereldoorlog, de Republiek van Weimar, de opkomst van de Nationaalsocialisten, boekverbrandingen, censuur, de Tweede Wereldoorlog, de ondergang van het Derde Rijk, de Sovjetbezetting, de aanvang met de Gruppe Ulbricht van een nieuw socialistisch bewind.

Alsof dat nog niet genoeg is, kende Fallada ook in zijn persoonlijke leven veel moeilijkheden, uiteraard ook gerelateerd aan de diverse regimes. Hij was niet bepaald handig met geld, viel vaak voor de verleidingen des levens. Twijfel rond vrouwen, de vlucht van de een naar de ander, maniakaal gebruik van roesmiddelen, vooral de onderdompeling in morfine en alcohol. Tweemaal gevangenisstraf (hetgeen geweldig intense dagboeken opleverde) en meermaals (niet-afgeronde) opname in een zenuwinrichting. De droevige goudmijn van een groots verteller. Iemand die niets anders kon dan zijn stem laten horen, die er niet voor terugschrok om zichzelf te kastijden met een onmenselijk schema van tientallen pagina’s per dag – let wel, toetsenbordgebruikers, met de pen en de vaak verkrampte hand. Alles moest voor zijn werk wijken.

Het boek is een must voor de Fallada-liefhebber c.q. -kenner, maar daarnaast een dermate grondige biografie dat je je niet kunt voorstellen dat iemand die nog niets van deze schrijver heeft gelezen, niet terstond naar de boekhandel rent en grootschalig inslaat. Zijn belangrijkste werken zijn in de afgelopen jaren heruitgegeven, in herziene versie naar het ongecensureerde origineel, wat het ook literair-historisch interessant maakt. Daarnaast kan, getuige de uitgebreide bibliografie, de Nederlandse uitgever nog jaren voort. Een fijne gedachte.

De biografie opent met drie (promotie)stukken die Fallada ooit schreef op verzoek van de illustere uitgever Ernst Rowohlt. Allereerst kwam hij op de proppen met een typische, humoristische bio. Treffend, alleszeggend. Wat dient een lezer eigenlijk meer te weten? Zeker in het geval van Fallada, wiens boeken zo doordesemd zijn van de tijd, van het leven van de schrijver zelf?

juristenzoon, [...]. Een matige tot slechte scholier die nooit eindexamen heeft gedaan, een schuchter tot bangelijk man, die nooit ‘het nodige zelfvertrouwen’ heeft gekregen. Boer, boekhouder, administrateur, wetenschappelijk medewerker (op het gebied van de aardappelteelt), nachtwaker, rentmeester, advertentiecolporteur, journalist en momenteel boekenschrijver. Maar van plan ook dat niet voor altijd te doen, maar zich terug te trekken op het platteland en daar zijn eigen boontjes te doppen.

Fallada was altijd nauw betrokken bij de promotie van zijn werk en profileerde zich bewust richting zijn lezers. Hij heeft meermaals de kans gehad om te emigreren gedurende de nazitijd, maar hij wilde in zijn geliefde Duitsland blijven. Daartoe heeft hij weleens wat ongelukkige compromissen gesloten, werd daartoe door de omstandigheden gedwongen omdat hij nu eenmaal móest schrijven, moest publiceren. Passages die voor problemen konden zorgen werden uit voorzorg door redacteuren geschrapt of ingrijpend aangepast.

Je hebt meermaals met Fallada te doen, die merkbaar ernstig onder de druk leed, die om aan geld te komen zijn geliefde teksten dan maar zelf verhaspelde tot lucratieve feuilletons voor kranten en tijdschriften. De doorsneemens, of beter: de niet-schrijvende mens ontwikkelt zich, de schrijver herbegint steeds opnieuw, moet zich steeds weer heruitvinden. Een tijdrovende, lichamelijk en geestelijk slopende bezigheid.

Fallada kon als geen ander broodschrijven, was ongekend veelzijdig. Sprookjes, kluchten, draaiboeken (na allereerst een pil van zeshonderd pagina’s in enkele weken te hebben geschreven over het onderwerp), avonturenromans, maar het ware, indringende werk – het werk waarmee de literator écht bezig wil zijn, waar hij helaas vaak vanaf werd gehouden, mede ook door zijn spilziekte, zijn toch de maatschappijkritische grote romans die juist op literair magistrale wijze het leven van de kleine man schetsen, en daarmee de wereldpolitiek, de problematiek van crisis en oorlog direct tastbaar maken.

Folkertsma maakt met een heldere stijl duidelijk – je zou haast zeggen Falladaresk, aangezien je door de drie stukken ‘Hoe ik schrijver ben geworden’, ‘Stilte, hier wordt gewerkt!’ en ‘Mijn voorvaderen’ helemaal in de sfeer bent gekomen en Folkertsma, vaste vertaalster van het werk van Fallada, moeiteloos de lichte maar veelzeggende toon voortzet – dat Ditzen enerzijds een burgerlijk bestaan nastreefde, maar dat dit steeds weer botste met zijn eruditie, met zijn belezenheid, met zijn schrijverschap. Een grillige man die een huistiran kon zijn, maar toch vooral zichzelf in de weg zat. Die dol was op zijn muze en zijn kinderen, op zijn minnaressen, maar veel van hen vroeg.

Het geldt voor alle uiterst gedreven schrijvers. Anderen moeten je de tijd gunnen. Hetgeen een hele opgave kan zijn, zoals ook weer uit deze biografie blijkt. Er waren genoeg weldoeners, uitgevers, zenuwartsen en redacteuren die zich voor de ware Fallada in hebben gezet, maar op een of andere manier kon deze einzelgänger dat niet slechts omarmen. Hij wilde het liefst met rust gelaten worden op zijn boerderij. Een beetje handarbeid op het land en lezen en schrijven.

(In ‘Hoe ik schrijver ben geworden’ komen op zich geen nieuwe zaken aan het licht, ‘je kunt pas later beseffen dat je een schrijver, een beschouwer bent’, ‘je moet lezen’, ‘je moet onder de mensen zijn geweest om over ze te kunnen schrijven’, ‘romans geven stof tot nadenken en het hart gevoelens’ etc. Allemaal waar, niets nieuws nogmaals, maar het wordt met zoveel elan verteld dat je aan de pagina’s gekluisterd blijft. Ja, dat is het belangrijkste: er spreekt uit het werk van Fallada een vreugde in het schrijven. De roes als iets lukt, de roes die alle andere roezen overtreft.)

Uit het uitgebreide notenapparaat wordt duidelijk hoe doorwrocht Folkertsma te werk is gegaan. Ze heeft onder meer geput uit zijn uitgebreide correspondentie (tussen hem en zijn vrouw en muze Anna, de briefwisseling met uitgever Rowohlt, al met al duizenden brieven), zijn dagboeken, recensies en getuigenissen van tijdgenoten. Ze is veelvuldig ondergedoken in het archief in het Fallada-museum, gevestigd in zijn oude boerderij in Carwitz. Het zorgt al met al voor een zeer genuanceerd beeld van een groot chroniqueur, van de immense druk die van alle kanten op een (creatief) mens gelegd kan worden.

Hans Fallada is een weloverwogen biografie, geschiedkundig minutieus, informatief, consequent, ja, liefdevol zonder te adoreren. Folkertsma plaatst tot slot het werk van Fallada in het perspectief van deze tijd. De geest van Ditzen/Fallada waart op een inspirerende manier door dit boek, geeft het extra leven. Het past haarfijn in de reeks van zijn eigen werk: Wat nu, kleine man?, Alleen in Berlijn, De drinker, In mijn vreemde land, Een waanzinnig begin.

 

Deze recensie verscheen eerder op literatuurplein.nl.

Recensie: Valeria Luiselli - De geschiedenis van mijn tanden

De geschiedenis van mijn tanden

Valeria Luiselli

€ 19,50

De Mexicaanse schrijfster Valeria Luiselli (1983) wordt in eigen land een literair enfant terrible genoemd. Is zij tegendraads? Eerder onbevangen en uitermate intelligent tegelijk. Haar werk heeft een vreemde afstotende aantrekkingskracht, er gaat een zekere niet helemaal te duiden stoerheid van uit. Luiselli is genrevrij, valt hoogstens aan te haken bij (voorlopig) het gecondenseerde werk van de Amerikaanse Jenny Offill (Verbroken beloftes) en van de Duitse ex-actrice Karen Köhler (Vuurpijlen vangen).

Drie schrijfsters die lak hebben aan conventies, maar die evengoed zeldzaam evenwichtige, intense teksten afleveren. In het nieuwste boek van Luiselli, De geschiedenis van mijn tanden, door de uitgeverij gelabeld als roman, je moet marketingtechnisch iets, trekt Luiselli het experiment bijna tot het uiterste door. (De nog niet zo lang opererende zelfstandige uitgeverij Karaat heeft lef, is commercieel gezien eveneens fijn onbevangen.) Het lijkt erop dat ze literair niet bij haar eigen pakken neer wil gaan zitten, maar steeds nieuwe wegen wil exploreren. Een goede instelling. Hoezo, alles is al gedaan. Weg me de gezapigheid. Niets is gedaan, alles kan worden overgeverfd, net even anders worden heruitgevonden.

Schrijven als het scheppen van ruimte om te kunnen lezen. Het gedachtegoed van anderen dat langzaam in het brein van de schrijfster is ingesleten en nu terloops een weg naar buiten vindt. Ja, er is een hoofdpersoon, ene Gustavo Sánchez Sánchez, die ook wel ‘Snelweg’ wordt genoemd, een verzamelaar, voornamelijk van straatkunst, een man die letterlijk het Romeinse Rijk nog aan de man kan brengen. Hij heeft zich namelijk ontwikkeld tot dé belangrijkste veilingmeester van het land. Zijn ultieme doel: het vervangen van zijn afzichtelijke tanden, hoewel zijn inziens een fietsenrek, een tandenkerkhof getuigt van karakter.

Om iets over zijn eigenschappen (en die van de schrijfster) te zeggen: hij kan na twee glazen rum Janis Joplin nadoen. Hij kan gelukskoekjes interpreteren, hij kan een kippenei rechtop op een tafel laten staan, zoals Columbus dat ooit deed, hij kan tot acht tellen in het Japans en op zijn rug op het water drijven. Elk van de hoofdstukken, als je ze zo nog noemen mag, wordt voorafgegaan door een spreuk uit een gelukskoekje, ‘de dood zal komen en jouw tanden hebben’ of ‘de moraal van een natie is net een tand, hoe rotter hij is, des te pijnijker het is als er aan hem gemorreld wordt’ bijvoorbeeld. Leuk, opnieuw origineel, vooral als later in het slotgedeelte de spreuken de tekst ‘overnemen’.

Snelweg vertelt zijn levensgeschiedenis, inclusief parabolische, hyperbolische, elliptische en allegorische uitweidingen. Laat u door die kwalificaties niet uit het veld slaan, of juist wel, ga mee in de eigenzinnigheid van Luiselli. Ze onderkoelt, ze overdrijft precies voldoende. De kracht van dit boek is de frisse verteltrant, de humor die bij menig ander (bijvoorbeeld bij Romain Puértolas) ongelooflijk flauw zou worden, blijft bij Luiselli aanstekelijk, en met diepte. Haar personage is iemand die verhalen rond zijn voorwerpen vertelt. Hij is een liefhebber en kan daarom zijn geschiedenis beter verkopen.

Vooral wanneer Snelweg ten bate van een kerk zijn verzameling curiosa veilt, allemaal gebitten of gebitsresten van bekende schrijvers en filosofen, excelleert Luiselli. De tekst van het gelukskoekje bij dit segment: ‘dement is hij die zijn tanden poogt te zetten in het harde en ondoordringbare granietblok dat het verleden is’. In de verschillende kavels worden onder meer de fietsrekken van Señor Plato, Augustinus van Hippo, Petrarca, Rousseau, Virginia Woolf en Borges geveild. Snelweg raakt zo op dreef dat hij zichzelf verkoopt, inclusief het gebit van Marilyn Monroe dat hij zich heeft laten aanmeten. De koper is zijn zoon Ratzinger. De opbrengst slechts 100 peso’s, waar de andere kavels de oudjes bij de veilig wel konden bekoren. In de hyperbolische sectie vertelt Gustavo Sánchez Sánchez verder over zijn leven. Daar duiken zijn (en Luiselli’s) ‘familieleden’ op. Marcelo Sánchez Proust bijvoorbeeld of de pessimistische oom James Sánchez Joyce en de neef met de slechte dronk Juan Pablo Sánchez Sartre.

Snelweg neemt nadat hij door zijn zoon van zijn tanden is beroofd, een jonge veelbelovende schrijver in huis om zijn levensgeschiedenis op te tekenen. Aantekeningen voor een epigonenwandeling, verlucht met beelden van, ha, fotograaf Winifredo G. Sebald. Een volgende sectie bevat een bevreemdende wandeling middels foto’s langs plaatsen die belangrijk waren voor Snelweg. Een tijdsbalk met als fictie gepresenteerde feiten zorgt er eveneens voor dat de scheidslijn tussen feit en fictie onderuit wordt gehaald.

De geschiedenis van mijn tanden is een ‘samenwerkingsboek’ in de zin dat humor, essayistische zeggingskracht en literaire doordrongenheid, de verwantschap met grote literaire geesten, onderhuids met elkaar communiceren. Maar ook omdat Luiselli gevraagd werd om voor een tentoonstelling in een vruchtensapfabriek een fictiewerk te schrijven. Het sapconglomeraat Grupo Jumex financiert namelijk een van de grootste kunstcollecties van Mexico. Luiselli werd verzocht om te reflecteren over verbanden – of het gebrek daaraan – tussen de kunst in de galerie en de barre, gevaarlijke plek waar die tentoon werd gesteld: de gevaarlijke buitenwijk Ecatepec van Mexico-City.

Luiselli besloot om allegorisch over de kunstwereld te schrijven, of eerder vóór de arbeiders van de fabriek, de traditie van de tabaksvoorlezers in Cuba in gedachten. (Die als doel hadden én hebben om de eentonigheid van het werk in de tabaksfabrieken te verlichten.) In de periode dat de tabakslezers populair werden, midden negentiende eeuw, werden ook de eerste feuilletons gepubliceerd, van Balzac en Dickens om precies te zijn.

Luiselli combineerde de twee en schreef, onder het pseudoniem Gustavo Sánchez Sánchez – over tongue in cheek gesproken – een feuilleton voor de arbeiders, luisterde naar de opnames van de bevindingen van de leesgroep en verwerkte die in dit samenwerkingsboek. Op die wijze werd de verhaallijn van dit boek door derden mede gestuurd. Met Luiselli kunnen we op die manier kunstobjecten zien vanuit een geheel onverwacht perspectief. Niet de visie van de galeriehouder, van de kunstkenner, nee zelfs niet van de kunstenaar. Het leert je nadenken over de (alternatieve) waarde van kunst en met dit boek ook over die van de literatuur.

Luiselli is een moedig schrijfster, wars van compromissen. Het is niet experimenteren om het experiment. Alhoewel het tweede gedeelte van het boek ook de ervaren lezer weleens voor raadsels zal stellen, is het ergens onderhuids wel duidelijk dat het hier om oprecht onderzoeken gaat. Je verliest jezelf wellicht taaltechnisch, maar blijft gevoelsmatig wel aangehaakt. De zoektocht van Luiselli is nooit een trucje. Voor trucjes moet je in herhaling vallen en Luiselli is de oude ziel die zich met elk boek op een frisse, nieuwe manier toont.

Deze recensie vescheen eerder op literatuurplein.nl.

Recensie: Aleksandr Skorobogatov - Portret van een onbekend meisje

Portret van een onbekend meisje

Aleksandr Skorobogatov

€ 19,99

Op zijn achttiende, toen hij aan de toneelschool studeerde, besloot Aleksandr Skorobogatov (1963) zich, gelukkigerwijs voor de rechtgeaarde literatuurliefhebber, volledig aan het schrijven te wijden. Maar van publiceren kon in het Sovjettijdperk geen sprake zijn. Skorobogatovs teksten waren weliswaar goed genoeg, maar ideologisch onacceptabel. En in die dagen was er in Wit-Rusland slechts één staatsuitgeverij. Totdat de Berlijnse Muur viel was hij derhalve veroordeeld tot ‘zelfwerkzaamheid’.

Het grote voordeel van de schrijver: een schrijfmachine volstaat of desnoods een pen en papier. Gedachten kan een totalitaire staat nog niet verbieden, tenzij men de denkende mens in de gevangenis of in een werkkamp stopt en schrijfwaar onthoudt. Maar zelfs dan weet een inventieve geest nog wegen te vinden. (Er zijn voorbeelden bekend van teksten die in gedroogde aardappelschillen zijn gekrast, maar dit terzijde.) Al met zijn debuutroman Sergeant Bertrand uit 1991 bewees Skorobogatov dat censuur en de meer dan zeventig jaar ingebakken socialistische heilstaatliteratuur hem niet klein hadden gekregen. Al beschouwt hij naar verluidt de verloren jaren nog steeds als bijzonder pijnlijk. Onrechtvaardigheid schrijnt!

Zijn onlangs in het Nederlands vertaalde roman Portret van een onbekend meisje opent met een stomp in het gezicht. ‘Ter nagedachtenis aan mijn zoon Vladimir (1987-2002)’ Desgevraagd blijkt zijn zoon op vijftienjarige leeftijd vermoord te zijn en is - wat kan de mens die met woorden leeft anders…? - dit gruwelijke misdrijf de aanleiding geweest tot het schrijven van deze roman, een dermate subtiel geschreven epos dat je het met een gerust hart geniaal kunt noemen.

Sasha groeit op in een stadje aan de uiterste grens van het Sovjetrijk. (Skorobogatov zelf is geboren in Hrodna, dat tegenwoordig in Wit-Rusland ligt, in het noordwesten, pal tegen de grens met Polen en Litouwen.) Hij is een jonge tiener, die weliswaar zijn mannetje zou staan in de gebruikelijke vechtpartijen tussen de verschillende buurten, maar die liever al zijn tijd besteedt aan de adembenemend mooie Katia van een portiek verder. Een kalverliefde? Nee, een uiterst oprechte liefde zoals alleen in jeugdige naïviteit lijkt te kunnen bestaan. Skorobogatov (wiens naam zoveel betekent als Bijna rijk. Het is echter geen pseudoniem.) weet deze jonge liefde grandioos delicaat neer te zetten. Nergens, maar dan ook echt nergens overschrijdt hij de lijn van het sentiment.

Hij weet een sfeer te scheppen waarin je zelf in de puurheid en de onschuld van een dergelijk liefde gaat geloven. En tegelijk beseft hoe wankel toch de liefde in het algemeen is. De roman is met veel ziel geschreven, heeft een prachtige melancholische ondertoon. De gebruikte taal – in de vertaling schemert precies genoeg Russisch door – heeft iets ongekends bedwelmends.

De zwaar alcoholische vader en de moeder van Katia zijn tegen de omgang van hun dochter met Sasha en ook zijn eigen moeder vindt hen beiden veel te jong, amper dertien jaar in het begin. Katia is ongeveer zes maanden ouder. Afspraakjes dienen in het geheim te geschieden, zijn vaak dramatisch kortstondig. Maar juist dat geheime verbond versterkt hun band. Blijft de liefde ook overeind wanneer ze beiden hun eindexamen hebben gedaan, wanneer ze met achttien volwassen zijn en zelf over hun leven kunnen beslissen? Kan men, al zeker in een dergelijke samenleving, daadwerkelijk vrij zijn?

De zes jaar van liefde en strubbelingen, inclusief gedwongen abortussen en een miskraam, zijn zo mooi, zo sensueel geschreven dat je als vanzelf in ‘hogere sferen’ komt. Het is een lange genuanceerde terugblik op een eerste liefde, die voor het leven leek. Maar de volwassen schrijver weet wel beter. De liefde is niet eeuwigdurend. Ook een dergelijke allesverslindende relatie kan eindigen. Het portret van Katia kan op de zuil van het leven zomaar ineens worden overplakt door dat van een volgende vlam. ‘Ze zeggen niet voor niets dat een Rus sterk is in retrospectieve wijsheid,’ schrijft Skorobogatov ergens tegen het einde licht zelfspottend.

‘Gratis romantische liefde begint en eindigt in de kindertijd, en we dat niet weet stoot zich heel zijn leven aan dezelfde steen.’

Dat u het maar weet. Ontnuchterend. De cadans, het ritme van de tekst klopt. De enscenering is uiterst effectief.

Sasha wordt bij de deur van het appartement van Katia plotseling geconfronteerd met haar vader.

‘We zwegen. Ik kon me niet voorstellen wat ik haar moest vertellen in het kwade bijzijn van deze man. “Genoeg getorteld?” schreeuwde hij. Toen hij haar bij haar arm vastpakte als een pop en niet als een zacht meisje dat weerloos was tegenover hem, smeet hij haar terug de gang in. Ik zag hoe ze nog enkele stappen verder zette voordat ze kon stoppen.’

De schrijver weet daarna verderop toch begrip op te brengen voor de visie van de volwassenen. Zoals hij zich ook nog (plaatsvervangend) schaamt voor het naïeve geloof in de onvoorwaardelijkheid, voor de ongekende jaloezie van Sasha. Hij realiseert zich nu terdege dat Katia, dat meisjes in het algemeen gedurende de tienerjaren sneller het kinderlijke, het puberale afleggen. Deze gelaagdheid maakt deze roman zo sterk. Meer en meer beseft de lezer dat dit niet alleen een portret is van een meisje, van een allesverslindende relatie, maar een portret van een opgroeiende jongen en in die zin een eerbetoon aan zijn zoon Vladimir. Hoeveel schuld kan je als schrijver haast ongezien in een tekst verwerken? Deze roman moet welhaast het dichtst bij Skorobogatov zelf staan.

Tegen het einde krijgt de lezer nog een tweede vuistslag. De pijn in de beschrijving van een zeker misdrijf is fysiek voelbaar. Eerlijkheid is dodelijk.

Deze beroepslezer heeft even een dag vrij moeten nemen van de stapel met voorliggende boeken om van de nawerking van deze geweldige roman bij te komen.

 Portret onbekend meisje
Aleksandr Skorobogatov - Portret van een onbekend meisje
Vertaald door Rosemie Vermeulen. Cossee, Amsterdam.
9789059365759

Deze recensie vescheen eerder op literatuurplein.nl.

Recensie: Oleg Pavlov - De aardappels en de staat

De aardappels en de staat

Oleg Pavlov

€ 19,99

Een roman met de titel De aardappels en de staat moet welhaast over het Rusland ten tijde van de opperste Sovjet verhalen. De aardappel voor de soep, voor de pannenkoek, de puree en voor de wodka. En de staat die over de mens én de natuur wikt en beschikt. Oleg Pavlov (Moskou, 1970), een naam die in Rusland bijkans net zo veelvuldig voorkomt als bij ons Jan Jansen, maakte als dienstplichtig soldaat nog net het staartje mee van de Russische socialistische heilstaat. Hij was bewaker van een afgelegen strafkamp in de steppen van Kazachstan.

De roman is opgedragen aan de Russische kapiteins, ‘die mannen van stavast, die ons machtige rijk in dienst en dood de eeuwen door hebben getorst’. Moeten we dit zien als ironie, als een afrekening van een piepjonge soldaat met zijn kampcommandant? Wellicht ver op de achtergrond. Een kapitein blijft natuurlijk slechts een subalterne officier die ook constant op de schopstoel zit van de kolonels en generaals én van de politieke functionarissen. De vertegenwoordigers van de staat die zorgdragen voor de politieke bewustwording van de manschappen. Ergo: de mannen die boven elke wet en elke rang verheven zijn.

Kapitein Ivan Jakovlevitsj Chabarov, roepnaam Vanja, is commandant van de zesde compagnie in Karabas op de Kazachse steppe die als taak heeft om de bewakers te leveren voor het nabijgelegen goelagkamp. De op deze afgelegen basis gelegerde soldaten zijn in feite ook een soort gevangenen. De rantsoenen zijn karig, te veel om dood te gaan, te weinig om te leven. Af en toe komt er een vrachtwagen met een paar zakken aardappelen, die soms al aan het rotten zijn. Wanneer de soldij wordt uitbetaald, kan er wat jam, brood en tabak worden gekocht.

‘Kranten kreeg de steppecompagnie, net als de aardappels, aangevoerd voor een maand, voor twee maanden, of zelfs voor de hele winter, anders kostte het te veel brandstof en zouden de soldaten maar verwend raken. [ … ] Wanneer ze zo laat zoveel wereldnieuws ineens te verwerken kregen, raakten ze compleet losgeslagen, alsof hun leven niet toch al een verloren zaak was.’

De heerlijk wrange hilarische toon die dit boek kenmerkt, is direct gezet. Het is het lichtgroteske, het mild absurdistische van het dagelijks leven in een besloten gemeenschap dat deze vertelling, bijna een sprookje, zo aanstekelijk en intens menselijk maakt.

Vooral in de winter, als de sneeuwstormen over de steppen razen, lijkt de compagnie door het verderop gestationeerde regiment vergeten, zijn ze op zichzelf aangewezen. Kapitein Vanja, wiens postuur iets weg heeft van een zak aardappels, krijgt een idee, hij stopt de knollen in de grond met het doel ze te vermenigvuldigen. Maar waar hij lof verwacht, wordt hij natuurlijk gekapitteld door de legerleiding en door de politiek officier van het regiment. Ergens weet Vanja ook wel dat eigen initiatief niet is gewenst – de staat weet wat goed voor u is, er is niet voor niets een planeconomie, en in het leger geldt natuurlijk helemaal: bevel is bevel – maar hij kan niet anders. Hij kan de honger van zijn manschappen niet meer aanzien, hij moet handelen. Ook uit zelfrechtvaardiging.

Bovendien lijkt het hem een goed idee om geheel zelfvoorzienend te zijn. Wat koeien en varkens en een moestuin. Het individu dat logischerwijs alles in het werk stelt om zijn bestaan, en dat van de mensen die aan hem zijn toevertrouwd, te verbeteren. Een paar tellen denkt hij dat zijn idee weleens overgenomen zou kunnen worden door de legerleiding en dat alle afgelegen compagnieën het bevel zullen krijgen om hun eigen voedsel te produceren. Misschien dat hij, zo vlak voor zijn pensioen, zonder een thuis om naar terug te keren, wel op de kazerne mag blijven, als dank voor bewezen diensten zogezegd. Een illusie uiteraard.

Zijn manschappen zien niets in een investering in de toekomst. Zij hebben nú honger en roven het veld min of meer leeg wanneer de kapitein zich teruggetrokken heeft in zijn kantoortje, waar hij ook woont, met zijn adjudant, een waarachtig mooi door Pavlov geschetste dikke dronkenlap. Twee mensen die elkaar nodig hebben, maar dit nooit aan elkaar zullen toegeven. Alle personages zijn overigens heel wellevend, heel aanstekelijk neergezet. Net zoals de bepalende scènes.

Vanja briest en brult, schopt iedereen in de slaapzaal wakker en verzamelt wat hij aan knolletjes nog kan vinden en stopt ze zelf in de grond. Ter bewaking zet hij er twee kettinghonden bij. Wanneer hij de volgende dag wakker wordt, ruikt het in de eetzaal niet alleen naar gebakken aardappelen. Pavlov is precies laconiek genoeg om de grimlachspieren van de lezer te bewerken. (Wat te denken van een soldaat die om onduidelijke redenen wordt vastgehouden in een houten hok – nadat hij zich in de beerput had schuilgehouden – die zich probeert te verhangen, maar die neerdondert, het hele hok in planken uiteen laat vallen omdat hij zich bijna tot barstens aan toe heeft volgevreten met aardappelen en vet.)

Maar met de grootste inspanningen en ondanks zijn tanende autoriteit, weet Vanja zijn veldje te behouden. In het voorjaar verschijnt er tot zijn tevredenheid loof op de akker. De oogst is goed, zakken vol met eersteklas knollen. Dan beginnen de problemen pas goed. De legerleiding hoort ervan en zendt het hoofd inlichtingen op Vanja af, iemand met de veelzeggende naam Smersjevitsj, een naam die direct verwijst naar ‘dood aan de spionnen’.

Vanja die na de mislukte poging tot zelfmoord van zijn eigen politiek officier – een personage waarin de kritiek op het systeem handig door Pavlov is verpakt. De man werd somberder en somberder omdat hij zijn droom om alle mensen gelukkiger te maken in de afgelegen contreien zag mislukken. – zelf bij wijze van wrede grap, van pesterige promotie benoemd was tot zijn eigen politieke corrector, wordt beloond met slechts een kopeke opslag. Zoveel is die functie dus waard.

Maar het hoofd inlichtingen kan een leven maken of breken. De knollen zijn van de staat en er moet en zal verantwoording over worden afgelegd. Mag ik de verwikkelingen die daarop volgen en het menswaardige slot van harte aanbevelen?! De aardappels en de staat is een eerbetoon aan het individu, aan iemand die niets meer te verliezen heeft en tegen de gevestigde orde ingaat, een saluut aan het initiatief, aan een mens die zich echt nuttig wil maken, geschreven in de zo typische Midden- en Oost-Europese pijnlijk aanstekelijke laconieke taal. Een mooie oprechte roman, zuiver en vol leven. Oleg Pavlov is een hedendaagse Russische klassieker.

Compassie
Oleg Pavlov - De aardappels en de staat
Vertaald door Paul van der Woerd, Els de Roon Hertoge. Cossee Amsterdam.
9789059365995

Deze recensie verscheen eerder op Literatuurplein.nl

 

Interview: David Grossman

‘Het was heel bevrijdend om zonder zelfcensuur te schrijven’

Een auteur die in staat is om maar liefst tweemaal een magnum opus te componeren, zoals de Israëliër David Grossman (1954) met Zie: liefde en Een vrouw op de vlucht voor een bericht, en daarnaast gloedvolle romans heeft gepubliceerd als Jij bent mijn mes, De stem van Tamar en de zeer daadkrachtige, poëtische vertelling over de rouw om een kind, Uit de tijd vallen, is een kandidaat voor de Nobelprijs voor de Literatuur. Maar het hardnekkige gerucht gaat dat een of meerdere leden van het Zweedse comité er antisemitische gevoelens op na houden.

Laat ze in dat geval vooral de nieuwste vertaalde roman van Grossman lezen, Komt een paard de kroeg binnen, een ‘stand-up’ roman, vol met scherpe grappen over het leven van alledag in Israël en tegelijk een document over een laatvijftiger die zonder mededogen – terwijl hij dat beslist wel verdient – zijn eigen leven, zijn eigen ziel fileert.

De juiste vorm
‘Vijfentwintig jaar geleden had ik het idee om een verhaal te schrijven over een tiener die uit een van de kampen waar bij ons de verplichte pre-militaire trainingen worden gegeven, naar huis wordt teruggeroepen omdat een van zijn ouders is overleden. Niemand zegt hem echter of het zijn moeder of zijn vader betreft. Elke keer als ik een roman af had, nam ik me voor om eindelijk eens aan dit verhaal te beginnen. Maar ik kon de vorm niet vinden.

Het vinden van de juiste vorm is cruciaal. Uit de tijd vallen ben ik bijvoorbeeld begonnen als een normaal verhaal, als proza. Totdat ik ontdekte dat wanneer ik over de schending van de “normale orde” schrijf – het kind dat sterft voor zijn vader – dat ik ook de regels van de literatuur moet schenden. Ik moest het voor mijzelf schrijven. Op het moment dat ik die tekst over de dood van mijn zoon in korte regels begon te schrijven – in het Hebreeuws is het ook op rijm – was het duidelijk dat dit de juiste manier was om deze lamentatie te vertellen. De vorm moet voor mij bijna “lichamelijk” passen.

Literaire onemanshow
Tweeëneenhalf jaar geleden wist ik plots waar ik het verhaal over de tiener in kon passen. Dergelijke ideeën overvallen me, als een bliksemflits, of eerder als een koortsaanval vanuit het niets. Ik verbied mijzelf vervolgens ongeveer een week lang om me met het idee bezig te houden, draai er expres mijn rug naartoe. Maar ondertussen merk ik dat het gegeven in mij aan het werk is. Bijna een fysiek proces waarmee ik me, om het niet te verstoren, beslist niet moet bemoeien. Na die week, als de koorts zogezegd is afgenomen, weet ik wat te doen, waar de problemen en de mogelijkheden van het verhaal liggen.

Ik had nog nooit een roman gelezen die voornamelijk vanuit het perspectief van een stand-upcomedian is geschreven. Een lastige vorm om tot het einde bevredigend vol te houden. Voor de lezer, maar zeker ook voor de schrijver. Ik besloot te proberen om een literaire onemanshow te schrijven. En dat terwijl ik nooit voor een stand-upcomedian naar het theater ben geweest. Wanneer ik weleens een optreden op tv zag, kon het me maar matig boeien. Als schrijver probeer je jezelf uiteraard elke keer opnieuw uit te vinden, iets te maken wat eigenlijk niet kan, of in elk geval voor jou de grens van het onmogelijke raakt. Het vertellen van een grap is een kunst apart. Ik weet hoe ik ze moet vertellen, maar ik “beheers” ze niet, kan ze om een of andere reden nooit onthouden, vreemd genoeg vooral als ze echt goed zijn.

Parallelle leven
De intensiteit van de situatie rond zo’n show beviel me. Ik plaatste mijn komiek, Dovele Grinstein, op het toneel van een achterafzaaltje in een vervallen café op een industrieterrein ten noorden van Tel Aviv. Een capsule buiten de werkelijkheid waarin hij de realiteit van de buitenwereld infiltreert, naar zijn hand zet met zijn grappen. Hij neemt onder meer de Arabieren, de orthodoxen, de mensen met linkse en met rechtse overtuigingen en de militairen op de hak. Van elk van die groepen zijn wel een paar mensen aanwezig. Daarnaast zijn er nog twee individuen, een eveneens dwergachtige vrouw en een voormalige rechter, die hem respectievelijk uit zijn jeugd en van de pre-militaire dienst kennen. Op die wijze kon ik de vele lagen, de nuances, de drama’s die nu eenmaal besloten liggen in elk contact tussen mensen, goed laten zien, maximaal uitbuiten.

Dovele heeft de rechter nodig om aan hem zijn “parallelle leven” te verklaren. Hij was er bij toen hij in dat pre-militaire kamp gedwongen werd om een andere weg in te slaan. Zijn vriend heeft hem daar verraden. Hij heeft hem niet uitgenodigd om hem te straffen, al voelt de rechter dat wellicht wel zo. Hij wil aan hem – en eigenlijk ook via hem – zijn parallelle leven verklaren. Het leven dat hij heeft moeten leiden als komiek, met een masker.

Harnas van cynisme
We kennen allemaal wel iemand die een ander leven is gaan leiden om te beantwoorden aan de druk van ouders, leraren, vrienden, partners. Iemand die ten langen leste dan maar probeert om aan de verwachtingen te voldoen. Of zich voor de belagers tracht te verstoppen, zich wegcijfert. Niet voor niets is Dovele op een gegeven moment bij problemen op z’n handen rond gaan lopen. Het is lastig om iemand tegen z’n schenen te schoppen als zich die op ooghoogte bevinden. Dovele had een zeer verfijnde, intieme persoon kunnen worden, maar omdat hij in zijn jeugd vanwege zijn bril, zijn onooglijkheid en zijn kleine gestalte werd gepest, vaak letterlijk heen en weer werd geslingerd, moest hij zich een harnas van cynisme aanmeten. Hij heeft de rechter nodig om de jongen in hemzelf te redden, om zijn authentieke persoonlijkheid te hervinden.

De rechter krijgt een herkansing, iets dat waarschijnlijk voornamelijk in de literatuur bestaat. Tijdens hun tienertijd in het pre-militaire kamp heeft hij Dovele niet beschermd tegen de pesterijen van de andere jongens terwijl hij daar wel de kans toe had. We zijn stiekem allemaal blij als iemand anders de pispaal is. Iets wat ik me heel erg goed kan herinneren uit mijn eigen jeugd. Wanneer de bullebakken in het publiek tekeergaan tegen Dovele, staat de rechter op, neemt het voor hem op en zegt: “Laat hem zijn verhaal vertellen.” Hij gebruikt zijn autoriteit, kan het zich nu natuurlijk ook veroorloven. Dovele smelt bijna van dankbaarheid. De rechter handelt als een grote broer. Op dat moment start de heling van de wond van Dovele.

Wegkijken
Je merkt dat wanneer Dovele zijn ziel echt blootlegt mensen uit de zaal verdwijnen, of in elk geval protesteren, joelen, willen dat hij zich beperkt tot, desnoods snoeiharde, grappen. Mensen hebben een methode ontwikkeld om in de wereld aanwezig te zijn zonder echt naar anderen te kijken. Men prefereert het om blind te zijn. Wanneer je echt kijkt en luistert, dan zorgt dat voor een zekere mate van betrokkenheid, zeker als een persoon “gewond” is.

Denk aan de bezette gebieden in Israël. De meeste Israëli’s zijn normale mensen met een moraal en ze weten, ondanks de uitgebreide verklaringen waarom de bezetting nu al vijftig jaar duurt en kennelijk moet voortduren, dat we daar iets verkeerd doen. Maar als je dat erkent, dan zorgt dat voor een innerlijk conflict. Men kiest over het algemeen voor het wegkijken, het wegdenken.

Op de rand van de vulkaan
Veel mensen buiten Israël realiseren zich niet dat wij eigenlijk niet goed weten wat het betekent om in vrijheid te leven. Wij denken dat we een normaal leven leiden. In de laatste drie jaar zijn we plotsklaps tweemaal met Hamas in oorlog geraakt. We zaten in schuilkelders, Gaza werd platgebombardeerd. Je bent er nooit helemaal gerust op, steeds op je hoede. En toch staan we op de wereldlijst van gelukkige mensen altijd in de hoogste regionen. Het is een vreemd soort geluk, op de rand van de vulkaan. Zo nu en dan is er een uitbarsting. Mensen worden gedood, fanatici worden fanatieker. En dan is de oorlog gedaan en niemand kijkt terug. Behalve misschien de families die iemand te betreuren hebben.

Tien maanden geleden waren we in oorlog. Er zullen een hoop Israëli’s zijn die heel hard moeten nadenken als je hen ermee confronteert. Het neigt naar zelfbedrog, het is een overlevingsmechanisme. Wanneer je het bestaan ervan ontkent, kan het je niet schaden. Het is ons geluk en tegelijk onze tragedie dat we dit mechanisme dermate hebben ontwikkeld dat we niets méér willen dan slechts overleven. Dat gaat zo ver dat we niet eens over vrede na willen denken. Als je als partij zelfmoord wil plegen in een verkiezingsprogramma, dan moet je propageren dat je voor vrede met de Palestijnen bent.

Cyclus van geweld
Na de oorlog met Gaza heeft Israël niets ondernomen om de situatie te verbeteren. Men wil niet onderkennen dat dat nodig is. Men kijkt weg, is liever blind voor de wond van de ander. Er zijn mensen die dat abusievelijk als een status quo voorstellen. De Palestijnen raken meer en meer gefrustreerd en het antwoord van Israël is het bouwen van meer nederzettingen. Een eruptie kan niet uitblijven. Ik heb een kleindochter van drie jaar oud. Het is bijna niet voor te stellen, maar ze heeft al twee oorlogen meegemaakt. In Gaza en in Israël zijn heel veel getraumatiseerde kinderen.

Dat is de échte tragedie en dat we inmiddels geloven dat we niet meer van de cyclus van geweld afkomen. Tien, vijftien jaar geleden waren er nog mensen die een oplossing zagen. Nu niet meer. Op dat moment verklaar je je als mens verslagen. Dat is wanhoop, maar wel een van de luxueuze soort, voor de Israëli’s welteverstaan. Ze zien geen Palestijnen, ze lezen niets over de bezetting. In de bezette gebieden heb je voor de kolonisten alternatieve wegen, een ander irrigatiesysteem en een andere wet. Een soort Apartheid, al is het niet te vergelijken met de situatie in Zuid-Afrika. Want de rest van Israël is nog steeds een democratie. De partij van de Israëlische Arabieren is de derde grootste partij. Een hele prestatie.

Typische Jiddische humor
De meeste Israëli’s denken niet na over de bezetting. Hoogstens wanneer er een nieuwe oorlog begint. Een vreemd soort handjeklap: zes weken in de schuilkelders en daarna hebben we weer anderhalf jaar rust. Wanneer je het zo beschrijft, klinkt het waanzinnig. De wereld op z’n kop. Dovele die op z’n handen loopt.

Het was heel bevrijdend om zonder zelfcensuur te schrijven. Om een stand-upcomedian te kunnen gebruiken om alles te zeggen wat je niet kunt zeggen in een zogenaamd ‘net’ gezelschap. Dovele bevrijdt zijn schrijver. Het is de typische Jiddische humor. Hoe kun je iemand uitlachen die zichzelf voor de gek houdt, die zichzelf al straft.

De angst weglachen
Ik ben de grap gaan zien als een literair genre. Wanneer je een vriend op de hoek van de straat ziet, vertel je hem een grap, je gaat geen aria voor hem zingen. Je weet allebei dat het een verzonnen verhaal is. Maar hij luistert heel nauwgezet en zal lachen. Mensen hebben een andere stem voor het vertellen van grappen en voor het lachen. Misschien vertellen we grappen omdat we weten dat het mensen pleziert, willen we ook mensen plezieren. En ook natuurlijk om angst, om de dood, toe te dekken, weg te lachen. Maar dat is voor de obsessieve moppentappers. Ik kan mensen die constant grappen vertellen niet uitstaan.

Het boek is nu uit in Israël natuurlijk, maar ook in Italië, Nederland, Spanje en Catalonië en vanuit al die landen krijg ik via de uitgevers moppen toegestuurd voor in de volgende editie, Jiddische grappen natuurlijk, maar vooral veel over paarden en kroegen. Over allerlei dieren en drank eigenlijk. Ik ben benieuwd hoeveel ik er in totaal krijg als alle vertalingen zijn gepubliceerd. Niet dat ik er met betrekking tot deze roman iets mee kan. Elke mop heeft een specifieke plaats, staat daar met een uitgesproken doel.’

 

Dit interview is eerder verschenen op literatuurplein.nl

Recensie: Vercors – De stilte der zee

De stilte der zee

Vercors

€ 10,00

Al te bloemrijke schrijvers kunnen een voorbeeld nemen aan de kracht van het zwijgen inDe stilte der zee van Jean Marcel Bruller (1902-1991), een illustrator die zich bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog aansloot bij het verzet en medeoprichter was van de illegale krant Les Éditions de minuit. Deze novelle, zijn debuut, publiceerde Bruller in 1942 onder het pseudoniem Vercors.

De keuze van dit pseudoniem is tekenend, ten eerste omdat het verwijst naar het bastion van verzet op het gelijknamige plateau in de Franse vooralpen, ten zuiden van Grenoble. Daar waar de bergbewoners ongekende moed tentoonspreidden, waar ook de tragiek zich concentreerde. In het dorp Vassieux-en-Vercors, omgeven door bergwanden, zaten in 1944, deels verscholen in grotten, honderden verzetsstrijders in afwachting van de geallieerde para’s. Er verschenen echter Duitse vliegtuigen met vijandelijke landingstroepen. Te laat werd dit opgemerkt. Vluchten onmogelijk. Het plateau is alleen te bereiken, en dus ook te verlaten, via kronkelende bergwegen, langs diepe ravijnen. Ten tweede omdat het relateert aan een in zichzelf gekeerde wereld, passend bij De stilte der zee.

Een Duitse officier wordt in Frankrijk ingekwartierd bij een wat oudere man en zijn nicht. De twee hebben, zonder overleg met elkaar, besloten om geen woord met de bezetter te wisselen. Een particuliere vorm van verzet. Alsof hij ook als mens niet bestaat. De officier beantwoordt in niets aan het door de propaganda geschetste beeld van het nazibeest. Hij is voorkomend, ontwikkeld, een liefhebber van de Duitse én de Franse cultuur. Hij denkt dat ze uiteindelijk verenigd zullen worden, is een vroege aanhanger van de niet-oorlogszuchtige paneuropese gedachte. Hij verontschuldigt zich voor ‘de overval’. Maar hij is niet binnen komen stormen. Zijn komst is geen invasie. Hij heeft aangeklopt en gewacht tot er een woord zou komen of totdat de deur voor hem zou worden opengedaan. Daarna stelt hij zich voor.

‘Mijn naam is Werner von Ebrennac. Het was vanzelfsprekend noodzakelijk. Ik had het vermeden als dat mogelijk was geweest. Ik denk dat mijn oppasser alles voor uw rust zal doen.’

Geen enkele keer zal hij zonder aankondiging binnendringen in het leven, in de keuken waar de twee Fransen zich gezien de schaarste aan stookmateriaal hebben geïnstalleerd. Hij heeft geen enkele verwachting, complimenteert de oom en zijn nicht zelfs met hun vaderlandsliefde. Hij is tevreden met een beetje warmte, met de mogelijkheid om zijn gedachten te laten gaan. Hij houdt monologen over zijn liefde voor Frankrijk, voor de muziek – hij is componist – en voor de literatuur. De oude Fransman heeft zo’n beetje alle klassiekers en ook de literatuur van de jaren dertig en veertig in de kast staan.

De taal in deze novelle, in deze korte roman, is ondergeschikt, fijn pretentieloos. De eenvoud zorgt voor een krachtige ondertoon. Je wenst de officier, als mens, een paar zinnetjes toe, al zou een enkel woord van de zijde van de Fransen de mystiek van de tekst doorbreken. Er is namelijk gaandeweg toch een verstandhouding ontstaan. Een onuitgesproken genegenheid. De oom, lurkend aan zijn pijp, zegt na het vertrek van de officier tegen zijn nicht.

‘Het is misschien onmenselijk hem de aalmoes van een enkel woord te onthouden.’

Maar zij is onverbiddelijk, reageert alleen met een verontwaardigde blik, een onverbiddelijkheid die misschien wel ingegeven wordt door iets meer dan genegenheid voor de officier. De oude man, de verteller, krijgt bewondering voor de ongenode bezoeker. Voor de moed die de Duitser kan opbrengen. Het is mooi hoe de stilte zich tegen de twee Fransen gaat keren, terwijl de Duitser zich juist op z’n gemak lijkt te voelen in de kamer die ‘verzadigd lijkt met een zwaar en niet in te ademen gas.’

De officier gelooft in het huwelijk tussen Duitsland en Frankrijk. Hij gaat op verlof naar Parijs, waar ‘zijn vrienden’ onderhandelingen voeren om de twee landen te verbinden.

‘Ik wil u zeggen dat ik blij ben voor Frankrijk, want zo zullen zijn wonden heel snel helen, maar ik ben nog blijer voor Duitsland en voor mezelf! Niemand zal ooit zoveel baat hebben gehad bij een goede daad als Duitsland wanneer het Frankrijk zijn grootheid teruggeeft, en zijn vrijheid!’

De officier is een idealist. Een individu, dat uiteraard teleurgesteld wordt door de groep, door de werkelijke intenties van de nazi’s.

‘Ze hebben gezegd: “U veronderstelt toch niet dat we zo dwaas zijn Frankrijk de gelegenheid te geven zich aan onze grens te herstellen? Of wel soms?” Ze lachten heel hard. Ze sloegen me vrolijk op mijn rug en keken me recht in het gezicht. “We zijn geen musici.”’

De officier neemt een rigoureus besluit. Hij wil niet meer meewerken aan de knechting van Frankrijk, aan de vernietiging van de cultuur. Hij heeft zich gemeld voor het Oostfront, voor de hel. Voor het eerst kijkt het meisje hem aan en zegt ‘vaarwel’.

De stilte der zee is een kleinood over verzet (zowel van de twee Fransen als van de Duitser), over de weerloosheid van het schone, over de menselijkheid. Opgezet met zeer beperkte middelen, in een kleine setting. Wel vaker de basis voor grootse literatuur.

Een korte roman die ook nog eens nauw verbonden is met de ontstaansgeschiedenis van de Bezige bij. In de oorlogsjaren kwam de tekst via via bij de ondergrondse uitgeverij terecht. De drukproeven vielen in handen van de Gestapo. Een typograaf en twee drukkers vonden de dood.

De stilte der zee
Vercors – De stilte der zee
Vertaald door Frans de Haan. De Bezige Bij, Amsterdam.
9789023493914

Deze recensie verscheen eerder op Literatuurplein.nl

Recensie: David Grossman – Komt een paard de kroeg binnen

Komt een paard de kroeg binnen

David Grossman

€ 19,99

Ik ben vandaag zelf de grap

Een schrijver die in staat is om maar liefst tweemaal een magnum opus te componeren, zoals de Israëliër David Grossman (1954) met Zie: liefde en Een vrouw op de vlucht voor een bericht, en daarnaast gloedvolle romans heeft gepubliceerd als bijvoorbeeld Jij bent mijn mesDe stem van Tamar en de zeer daadkrachtige, poëtische vertelling over de rouw om een kind, Uit de tijd vallen, is een kandidaat voor de Nobelprijs voor de Literatuur. Maar het hardnekkige gerucht gaat dat een of meerdere leden van het Zweedse comité er antisemitische gevoelens op na houden.

Laat ze in dat geval vooral de nieuwste vertaalde roman van Grossman lezen, Komt een paard de kroeg binnen, een ‘stand-up’ roman, vol met scherpe grappen over het leven van alledag in Israël en tegelijk een document over een laatvijftiger die zonder mededogen – terwijl hij dat beslist wel verdient – zijn eigen leven, zijn eigen ziel fileert.

De bekende komiek Dov Grinstein staat in de stad Netanya, ongeveer dertig kilometer ten noorden van Tel-Aviv, op een podium in een zaaltje op een industrieterrein. Het publiek is gekomen om weer eens onbedaarlijk om zijn harde grappen – en dus eigenlijk om zichzelf – te kunnen lachen. De mens lacht nu eenmaal graag zijn grootste angsten weg. Maar Dov wil meer, wil zijn ‘echte’ verhaal aan hen kwijt. Is eigenlijk op zoek naar een waardevast oordeel.

Daartoe heeft hij een oude schoolvriend uitgenodigd, iemand met wie hij bij de zogenaamde Gadna heeft gezeten, een paramilitair programma dat jongeren voorbereidt op de militaire dienst, en die als rechter met pensioen is gezonden vanwege zijn boude vonnissen. Van hem wil hij de waarheid horen. Een doodsvonnis zou hij van hem zonder morren accepteren. Maar hoopt hij ergens niet op vrijspraak?

Het publiek wil entertainment, geen serieuze kwesties. Grappen en grollen in plaats van drama. Maar de Joodse humor is nu eenmaal verbonden met tragedie, met tot het uiterst uitgebeende zelfspot. Dov wordt naarmate het optreden vordert steeds harder, ontziet het publiek niet. Sterker nog, hij overlaadt ze met politiek-incorrecte bakken. Bijna alle bevolkingsgroepen zijn vertegenwoordigd en haken stuk voor stuk af.

En dan is er ook nog een dwergachtig vrouwtje dat het voor Dov opneemt, iemand die hem al van jongs af aan kent en weet dat hij deugt. Dat hij, zelf ook klein van stuk en met een jampotbril, haar als enige niet heeft gepest. Omdat hij zelf altijd de speelbal was. Om te overleven liep Dov vroeger vaak op zijn handen rond. Het hoofd bloeddoorlopen laat immers geen gepieker toe en het is moeilijk iemand tegen zijn schenen te schoppen als je niet in een eerste oogopslag de benen kunt vinden. Dov, en Grossman met hem, zet graag de wereld op z’n kop.

Het vrouwtje is de katalysator voor Dov. Zijn voorstelling radicaliseert. Hij straft zichzelf, soms letterlijk door zich hard in het gezicht te slaan. Grossman laat de tweestrijd van het publiek goed voelen. De voorstelling intrigeert, maar is tegelijkertijd ook bijna te confronterend, te eerlijk. Je beseft pas in de loop van het boek dat je onderdeel bent van het publiek. Dat je meelacht, meejoelt en tegenstribbelt. Kortom, dat je meevoelt.

Het is maar weinigen gegeven om een roman in de vorm van een stand-up voorstelling te schrijven. Je blijft tweehonderdvijftig pagina’s geboeid naar het podium kijken. Ontboezemingen worden afgewisseld met grappen, of met het begin van een witz die pas veel later, als een soort cliffhanger, zijn slot krijgt. En soms ook achterwege blijft zodat je er dan zelf maar een einde aan breit.

Af en toe is er contact tussen de komiek en de rechter, een knipoog, een blik. Steeds meer lijkt het een privévoorstelling . Het is alsof Dov de rechter aanzwengelt. Diens verhaal – zijn gemis, zijn vijftien jaar jongere vrouw is drie jaar geleden gestorven – vermengt zich langzaam met het (levens)verhaal van Dov. Het lijkt allemaal een spel, maar dat is het niet, het is bloedserieus. Ze gluren in elkaars hel. Af en toe zie je de ware toedracht. Dan neemt de komiek het clownsmasker af en lacht een gewone lach.

"Niet de giftige giechel, niet het gegrinnik om eigen leed. Een simpele, menselijke lach, en in de zaal zijn toeschouwers die meteen met hem mee lachen. [ … ] Allen samen met hem pootjebaden in één moment van mildheid tegenover zichzelf."

Dov Grinstein staat ook voor de schrijver die middels zijn boeken op een podium staat, het publiek bedient (en manipuleert, zo men wil) en die ook eerlijk wil worden beoordeeld. Die zijn innerlijk binnenstebuiten keert, de wereld op z’n kop zet. Een confrontatie die het lezerspubliek soms eigenlijk evenmin aankan, maar die toch tot aan het einde blijft intrigeren. Dov zoekt erbarmen bij de rechter. Hij is de clou van de avond, een wrange – en voor wie het zien wil – een bijzonder aandoenlijke grap. Heb mededogen met de komiek, met de schrijver.

Komt een paard de kroeg binnen is opnieuw een meesterstuk van Grossman, een vormtechnisch wonder. Laat u door de voor de Nederlandse markt wellicht wat carnavaleske titel niet misleiden. Of wel, er valt in deze roman in elk geval genoeg te (grim)lachen.

Komt een paard de kroeg binnen
David Grossman - Komt een paard de kroeg binnen
Vertaald door Ruben Verhasselt. Cossee, Amsterdam.
9789059365711

Deze recensie verscheen eerder op Tzum.info en Literatuurplein.nl

Recensie: Stephan Enter – Compassie

Compassie

Stephan Enter

€ 17,50

Een schreeuw naar de wereld

De bijna veertiger Frank van Luijn in Compassie, de vierde roman van Stephan Enter (1973), is een echt kind van deze tijd. Hij worstelt zich van relatie naar relatie, bang om zich te binden, of eerder bang om niet ‘alles uit het leven te halen’. In de wereld van maximale zelfontplooiing is de sleur, de saaiheid van een alledaags bestaan de grootste doodzonde. Maar natuurlijk is de uiteraard lange, goed uitziende academicus Frank ook op zoek naar de liefde. Hij is, getuige een filmpje dat een kennis van hem maakte bij een dagje zeilen, nu op z’n best, kan voor een heel stuk jonger doorgaan, is eigenlijk nog studentikoos. Een blakend gezicht waarin de spot vastgebakken zit. Een hooghartig type dat via internetdating in ieder geval aan zijn lichamelijke trekken kan komen.

Frank besluit een profiel aan te maken. Binnen een paar weken onderhoudt hij contacten met verschillende vrouwen tegelijk. Terwijl hij ondertussen ook nog allerlei one-standachtige voormalige vriendinnen achter de hand heeft en, als het immer aanspreekbare geweten, een ex-vriendin met wie hij kortstondig heeft samengewoond. Na een week of vijf krijgt hij er genoeg van. Ja, de vrouwen zijn bekrompen, leugenachtig of soms gewoonweg saai, maar ze zijn eigenlijk voornamelijk eenzaam. Heeft Frank soms zelf ook iets van een moraal? De positieve zelfportretjes – door Enter vakkundig gefileerd – kunnen die eenzaamheid niet verbergen. Al zal bijna niemand, Frank incluis, het persoonlijk failliet toegeven.

Voordat hij zijn profiel wist en zijn abonnement beëindigt, gaat hij nog eenmaal door de fotogalerij, door de ongelooflijk grote voorraad van onvervulde dromen. En dan wordt zijn blik getrokken door het gezicht van de half-Duitse Jessica, tweeëndertig jaar oud. (Dat heeft iets weg van een doktersroman, maar het is in dit geval dermate goed ingesneden dat het niet stoort.) Hij leest een paar keer het profiel, valt een beetje over een tikfout, maar ziet er toch wat doorheen flonkeren. Dit is vast een vrouw die zich niet zomaar omver laat blazen, een waardige sparringpartner. Maar vooral haar gezicht heeft een ongekende aantrekkingskracht op hem. Zou het dan toch mogelijk zijn om via dit nieuwe onpersoonlijke medium een zielsverwant te vinden? Is dat überhaupt wel wat hij wil? Is het niet zaak om vooral zijn leven niet onnodig te compliceren?

Bij een eerste afspraakje komt ze zomaar ineens met een cruciale vraag op de proppen. Ze vraagt of Frank geen eiland is. Een eiland waarop anderen niet welkom zijn. Hoe raak dit waarschijnlijk getypeerd is, heeft Frank op dat moment niet door, wil hij niet door hebben. Hij moet om zijn achteloosheid denken. Maar tegen wil en dank gaat hij langzaam toch haar wereld binnen, de wereld van de onthullende zaken. De manier waarop ze kijkt, zit, een zekere beweging maakt, maar ook de geheimen die zij, en in dit geval ook haar lichaam, verbergt. Jessica heeft aan zelfmutilatie gedaan, haar arm is verdeeld in regelmatige littekenhokjes. Dat intrigeert hem eerder dan dat het hem afschrikt.

Wanneer ze voor de eerste keer met elkaar slapen blijkt ze op haar borst een paar afzichtelijke zakjes te hebben en haar bovenlichaam is sowieso nogal afwijkend gevormd. Daarnaast blijkt ze tijdens de seks te schreeuwen, een soort luid eendengesnater. Haar lichaam windt hem in het geheel niet op, de seks wordt eerder plichtmatig. Hij kan werkelijk alles met Jessica bespreken, heeft zelfs even het idee dat hij zich daadwerkelijk openstelt, maar – en dat is een kwalijke vorm van mededogen – hij zwijgt over zijn weerzin tegen haar. Kan hij de compassie opbrengen om zich er in het geheel overheen te zetten of zal hij, zoals hij zich toch echt van tevoren heeft voorgenomen, met haar breken zodra ze na een paar maanden gepromoveerd is?

Maar Jessica is in alles, behalve het lichamelijke, dé tegenspeelster van Frank. Hij zwijgt, praat, loopt en eet het liefst met haar. Om maar eens een cliché te gebruiken: zij vult hem helemaal aan, zorgt dat hij zich vrij voelt.

Enter beschrijft zeer indringend het moment waarop Frank duidelijk inziet dat hij een beslissing moet nemen. Jessica en hij bespreken een scène uit een van hun favoriete Scandinavische series. Zij zegt dat wanneer ze die ziet ‘van weemoed haast in elkaar krimpt.’ Frank beseft dat ze exact zijn gevoel heeft uitgedrukt.

‘Niet eerder heb ik het gevoel gehad dat iemand zó nauwkeurig een bepaalde emotie, sensatie met me blijkt te delen en blijkt te kunnen verwoorden. [ … ] En opeens zie ik, zoals in een huis wanneer het onweert en tientallen in het donker verborgen voorwerpen een seconde lang door het weerlicht zichtbaar worden, allerlei andere, eerdere momenten waarop haar emoties met de mijne bleek te resoneren of zelfs te corresponderen.’

Op dat moment beseft Frank dat hij op een punt staat waar hij nog nooit eerder is geweest. Is de tederheid voor hem genoeg? Zal hij zijn eiland openstellen of haalt hij de brug voorgoed op? Enter laat de lezer voortdurend heen en weer reizen tussen de twee protagonisten. De ene keer voel je mee met Frank, de andere keer duidelijk met Jessica. Frank is de man die het idee heeft dat hij de situatie volledig onder controle heeft, en juist door niet af te stappen van die zelfgenoegzaamheid, gaat hij ten onder. Maar is Jessica wel echt degene die ze aan hem presenteert? Ach, hoeveel zelfportretjes die mensen schetsen komen maar enigszins overeen met de waarheid. Wat je ziet, is wat je krijgt, geldt maar uiterst zelden. Met de waarheid valt nu eenmaal niet te leven. De romanCompassie geeft niet heel veel weg. Frank, de verteller, is summier met zijn informatie. (Dat de bron van zijn gedrag in zijn jeugd zou liggen, vergeten we maar even snel.) Compassie zelf is ook een eiland, een eiland waar het taal- en vormtechnisch goed toeven is.

Compassie
Stephan Enter - Compassie
Van Oorschot, Amsterdam.
9789028260795

Deze recensie verscheen eerder op Literatuurplein.nl

Ezra de Haan over Vogeljongen van Guus Bauer

Vogeljongen

Guus Bauer

€ 10,00

<p>Een bevroren spraakwaterval</p>

<p>Guus Bauer (1959) schrijft in een stevig tempo aan zijn gestadig groeiende oeuvre. Los daarvan is hij journalist en recensent. Vogeljongen is zijn negende boek. Twee van zijn boeken vielen op door hun verwantschap met de Midden-Europese literatuur: De tuinman van niemandsland (2008) en Heimwee heeft een kleur (2011). Zijn roman Het geheim van Treurwegen (2013) kun je het best kenschetsen als een schelmenroman ten tijde van de eerste Wereldoorlog. Met Vogeljongen maken we wederom kennis met Bauers vertellerstalent, zij het met een heel andere toon dan we tot nu toe van hem gewend zijn.</p>

<p>Het perspectief van deze roman is buitengewoon origineel. De verteller is slachtoffer van het zogenaamde ‘locked-in syndroom’, ook bekend als de pseudocoma. Het betreft hier een neurologische aandoening waarbij alle communicatiemogelijkheden van de patiënt zijn weggevallen waardoor het lijkt of hij comateus is. Meestal is het een gevolg van een trauma of een infarct. De patiënt kan niet spreken en zich totaal niet meer bewegen. Geluiden kan hij waarnemen en als zijn ogen geopend zijn, kan hij ook zien. Het doet ergens denken aan de inmiddels haast vergeten angst levend begraven te worden. Ook schoten verhalen van Edgar Allen Poe mij te binnen. In Vogeljongen wordt de onmogelijke situatie op een indringende wijze aan de lezer duidelijk gemaakt. Je verplaatst je in zijn staat en voelt het zweet bij je uitbreken.</p>

<p>De paniek na het eerste ontwaken was groot. Ik wilde kijken hoe laat het was, maar kon mijn pols niet voor mijn gezicht brengen en mijn hoofd niet optillen of draaien. Je moet opstaan, hield ik mijzelf voor, de slaap uit je lijf schudden, kom op, maar mijn benen en bovenlichaam weigerden elke dienst. Ik wilde om hulp roepen, maar er kwam geen kik uit mijn keel. Er flitste van alles door mijn hoofd. Zat ik gevangen in een nachtmerrie? Was dit de beruchte hel, al dan niet op aarde?</p>

<p>Om niet gek te worden haalt de verteller herinneringen op. Zijn jeugd, die typisch jaren zestig is, schuift in herkenbare beelden aan je voorbij. Het burgerlijke, truttige van die tijd wordt goed geschetst. Na acht uur wordt er niet meer met de deuren geslagen, zelfs niet als er ruzie is, en ook het doortrekken van het toilet is er niet meer bij. Men moet immers om de buren denken. Het levert leefomstandigheden op die verstikkend zijn. De verteller van het verhaal kijkt terug op zichzelf als klein kind en kan zich die dagen akelig goed voor de geest halen.</p>

<p>Elk geluid komt suizend hard binnen. Onze ademhaling, het geritsel van de krant, de pen van zus op het papier, mijn hartslag, zelfs de naald en draad die moeder door de stof trekt en het aftikken van papa’s sjekkie in de asbak. Laat staan het getik van de klok.</p>

<p>Het is een wereld teruggebracht tot geluiden. De oplettende lezer ziet meteen dat Bauer gebruikt maakt van twee parallelle werelden. Tijdens de jeugd van zijn personage wordt zijn noodlot al gevormd. En daar wordt hij zich tijdens zijn ziekbed steeds meer bewust van. Koortsachtig probeert hij zich te herinneren welke signalen hij toen gemist heeft. Tegelijkertijd probeert hij uit de gevangenis, die zijn lichaam vormt, te breken, tracht iets, al is het maar een vinger of ooglid in beweging te krijgen, maar moet het uiteindelijk doen met de zintuigen die nog wel functioneren. Het verbaast hem wat daarmee nog mogelijk is. ‘Onvoorstelbaar wat je allemaal kunt zien met je oren.’</p>

<p>Totdat ook die het laten afweten en ik totaal van de buitenwereld ben afgesneden, als in een duikklok zonder ramen, in een diepe oceaantrog?</p>

<p>Het bezoek van familie, collega’s en patiënten roept confidenties op. Hij wordt een levende biechtstoel. Het verslag dat Bauer van deze ervaringen doet toont zijn empathie, vooral omdat het grotendeels gebaseerd is op geluiden, geuren en gevoel. Hierdoor wordt het lezen ervan een intense ervaring die verder gaat dan een ziekbedverslag, mede als gevolg van de gedachten die het slachtoffer non-stop heeft. Interessant is ook het contrast in verteltoon, waardoor de wereld van de patiënt en zijn jeugd van elkaar te onderscheiden zijn. De naïeve, kinderlijke gedachten van een overigens snel vroegwijs jongetje en de klinische wereld van het ziekenhuis voorkomen dat je de zoveelste jeugdherinnering van een Nederlandse auteur leest. In Vogeljongen is het een essentieel onderdeel: de jeugd waarin de schaamte en vooral de spijt geboren werd, is wellicht de bakermat voor het trauma waardoor het locked-in syndroom werd veroorzaakt. Als je alles wat de jongen overkomt op een rijtje zet, is het niet verbazingwekkend. Zijn vader overlijdt als hij zelf nog maar twaalf is. Zijn moeder die hem naar een internaat stuurt. En vervolgens een leven dat voortdurend in dienst staat van overleven, geld verdienen en een zucht naar liefde en aandacht. Tot hij de controlefreak werd die nu patiënt is geworden, tot niets meer in staat…</p>

<p>Je weet toch dat ik moeite heb met delegeren, dat ik, hoezeer ook op de achtergrond, altijd een vinger aan de pols hou. Wat een gotspe! Iemand die zichzelf alleen met de grootste moeite kan overgeven, is volstrekt afhankelijk van anderen.</p>

<p>Soms klinkt in het proza van Vogeljongen de auteur van Heimwee heeft een kleur door; heb je even het gevoel een roman van een Tsjechische auteur te lezen. Dat heeft te maken met die vervreemdende absurdistische toon die je ook in de romans van Hrabal, Topol of Hašek met regelmaat tegenkomt. In Vogeljongen geeft het net even die draai aan het verhaal die voorkomt dat het larmoyant wordt. Een goed voorbeeld daarvan is de scene waarin het graf van de vader wordt beschreven.</p>

<p>Ik gun het papa. Hij heeft het al moeilijk genoeg, al is hij natuurlijk de tweede etage gewend. Helemaal beneden ligt een oude man, ik stel me onze boze buurman in zijn invalidenkarretje voor. Daarboven nog een man, nog jonger dan papa. Als hij enigszins op de bij het gezin inwonende elegante meneer lijkt, zal papa het goed met hem kunnen vinden. Meteen boven papa ligt een vrouw, als ze maar niet zo’n harde stem heeft als de bovenbuurvrouw. Helemaal bovenop ligt weer een man. Ik hoop voor papa dat hij niet zo groot en zwaar is als de chauffeur van de betonmolenauto die bij ons op de bovenste verdieping woont.</p>

<p>Vogeljongen is een unieke roman, vooral door de beklemming die zowel het jeugdverhaal als de ziektegeschiedenis van een locked-in syndroom patiënt opleveren. Het opgesloten gevoel dat deze roman teweeg brengt zal menig lezer nog dagen achtervolgen.</p>

<p>Dit interview verscheen eerder op <a href="http://www.literatuurplein.nl/recensie.jsp?recensieId=872">Literatuurplein.nl</a>.</p>

Waarom Libris
Boekbestellingen worden t/m 22 december 2017 GRATIS thuisbezorgd.
Kies uit meer dan een miljoen artikelen, waaronder ruim 25.000 Nederlandse ebooks.
Thuis bestellen en bezorgen of afhalen en betalen in de boekhandel.
Ruim 85.000 boeken op werkdagen voor 23.00 besteld, de volgende dag bezorgd
Volg uw bestelling via Track & Trace van PostNL
Bijna 100 aangesloten kwaliteitsboekhandels.
pro-mbookslibr1 : libris : 19