Foon Martente de Moor

Ik hoor niets, maar het begint al licht te worden. Voor mij tekent zich het behang af met de kegeltjes en driehoekjes, achter mij wacht de kamer. Met de half verduisterde ramen en de gebroken vensterbanken. Met het fluwelen stoeltje waarop mijn overgooier hangt alsof ik er nog in zit. Met de eettafel, vier poten in het tapijt, de kast met de porseleinen dieren en nog maar drie kristallen glazen. Met de drempel die me zo de kolere wenst, en de gang die me zal spiegelen als een zwarte sloot. In de gang staan twee deuren op een kier, de een leidt naar de keuken met de afwas, de ander naar de kamer met hem erin.

De voordeur is goed dicht. Toch glijdt tussen deur en drempel het ijs van de veranda naar binnen en duwt tegen die veranda de tuin, waarop nog zo’n dertig centimeter sneeuw ligt. Achter de tuin staat het hek naar het pad, daarop zullen mijn voetstappen de eerste zijn en de laatste, zoals de meeste dagen. Laten we daar niet te lang bij stilstaan, laten we doorlopen, links het huis van Serpjakov passeren, met de ramen die dof en grijs zijn geworden als de ogen van een staarlijder, en rechts de bushalte, ook al verlaten. Zo’n tien jaar, schat ik, misschien langer. In ieder geval was het in hetzelfde jaar dat de bussen wegbleven en onze enige buurman vertrok. In het jaar dat ik me liever niet herinner.

We noemden hem Serpjakov de Vriendelijke. In deze streek was zijn karakter al even uitzonderlijk als zijn complete gebit. We houden het erop dat hij het zich in ieder geval kon veroorloven breeduit te lachen. En hij dronk niet, zelfs niet toen zijn vrouw overleed. We weten niet waarom hij is weggegaan, hij had juist de daklijsten van zijn huis in de lak gezet. Misschien nam hij wel die laatste bus en kon hij gewoon niet meer terug, misschien is het niet meer dan dat.

Na de bushalte komt het veld, dat eens een akker was, met nog een stuk of twintig gebouwen, kleine en grote, waaronder een schooltje, de bakkerij en de artsenpost. En daarachter ligt het complex van de oude batterijenfabriek. Alles is leeg en verlaten, en vanbinnen met hetzelfde grijze gruis bestoven. Volgens mij komt het van de tijd die te snel verstrijkt. De dagen vliegen steeds sneller om, de tijd probeert af te remmen, daar komt stof bij vrij. Verder, naar het moeras. Dat heeft nog nooit iemand iets opgeleverd, niet in vredestijd tenminste. In dit land is moeras bedoeld voor muggen en vijanden, als je die uitroeit heb je er niets meer aan, ligt het maar zo’n beetje te stinken als een bezopen veteraan op de keukensofa. Achter het moeras komt de rivier, met wat aftakkingen. Kilometer na kilometer vervelende wildernis volgt elkaar op tot aan de provinciegrens, als we een flink stuk naar het zuidoosten trekken komen we bij de hoofdstad, die heeft nog wat duizendjarige steden achter de hand. Verder, verder, koepels, poorten, burchten, heel veel steppe, bossen met bomen die almaar hoger worden, dorpen met mensen die steeds minder zeggen, de klok rent vooruit, het wordt later of moet ik zeggen eerder, in ieder geval rukken er zeven tijdszones uit het oosten op tot aan mijn bed. Vóór mij dus deze kegeltjes en driehoekjes. Ik heb ze een week na de verhuizing op de wand geplakt. Wat dacht ik toen? Dat er snel een beter behang overheen zou komen. Niet dat ik er na een oogwenk van eenendertig jaar nog naar zou liggen staren.

Een minuut of vijf zal het nog stil blijven, alles slaapt nog. De trein trekt alleen ’s nachts door deze bossen, zoals de vossen en de dassen. Achter deze muur liggen dingen die me geruststellen. De keurig opgestapelde houtvoorraad, de beek met de snoeken, forellen en kreeftjes, het bos, dat we altijd het sprookjesbos noemden omdat er tot ver buiten het seizoen goede paddenstoelen groeien. Ze houden ons in leven, ook al beweren de autoriteiten dat we sinds 2012 niet meer bestaan. Ze hebben ons uit de registers geschrapt, achter de naam van ons dorp staat het inwonertal nul. Verder, wat hebben we daar verder nog... de grote weg. Asfalt en rails. Het zwarte meer, dat echt zo heet, en de mijnen, die de partizanen in het mos hebben rondgestrooid in de hoop dat er een Duitser zijn voet op zou zetten. Van daaruit is het nog een uurtje rijden en je bent bij Europa, de Letten. De anderen. Mijn positie tussen het een en het ander, met honderdvijftig kilometer voor de boeg en negenduizend in de rug, is niet erg evenwichtig te noemen.

Zonder me om te draaien strijk ik over het laken achter me. Nee, die tijden zijn voorbij. Lev ligt niet meer hier maar daar, in de studeerkamer met zijn droge handen op de deken en zijn vochtige benen eronder. Misschien slaapt hij nog, zoals al het andere in onze belachelijke bedoening. Dit is het moment van de dag waarop alleen de bodem zich roert, de damp uit de aarde, die alles bevochtigt, met alles wat daarin smelt en kruipt. De schepping voltrekt zich hier de laatste tijd elke ochtend. Elke dag scheurt God de vorige bladzijde uit zijn schriftje en begint hij opnieuw. Ik wou dat ik er iets van kon horen, maar voor geluiden moet je omhoogkijken. Dan hoor je, van boven naar beneden op volgorde van binnenkomst: gekwetter, gekras, gezoem, geritsel, gefladder, gehinnik, geblaf, geblaat, gesnuif, getok, en, heel laag op de poten, gegrom. Belangrijk is de raaf die nu over de vensterbank scharrelt. Je kunt hem niet over het hoofd zien. Hij is bijna zo groot als het kozijn en honderd jaar oud. Als hij wil praten zie je het aankomen, dan trekt hij zijn bek al open voordat de woorden opbollen in zijn strot. Het is bijna allemaal gescheld wat eruit komt; hij zegt ‘klootzak’ en ‘rot op’. Maar nu niet, hij kijkt me aan met zijn ene oog en maakt zich klaar om op de ruit te tikken. Men zegt dat vogels op ruiten tikken omdat ze hun weerspiegeling aanzien voor een concurrent, maar dat is weer zo’n theorie die klakkeloos in vele collegebanken is overgenomen, want wie hier woont weet dat dit land de beesten toebehoort en dat die beesten altijd iets van ons moeten. Van mij dus, de laatste inwoner met nog een behoorlijk stel hersens. De eerste keer dat ik de raaf hoorde dacht ik dat het een mensenknokkel was, zo zwaar en ritmisch sloeg zijn snavel tegen de ruit. Ik deed het gordijn opzij, hij gaf me te verstaan dat er eten moest komen en ik gehoorzaamde. Had ik niet moeten doen. Sindsdien wekt hij me iedere ochtend twee keer, met een tussenpoos van een halfuur, en aangezien dit de tweede keer is moet het dus wel zeven uur zijn.

‘Verdomme!’
Hoor, de mens heeft zijn eerste woord gesproken. ‘Nadja!’
Dat ben ik. De vrouw. Die zich omdraait en het raam herkent en het stoeltje, de lompen, glazenkast, porselein, drempel, gang, voordeur, sneeuw, rommel, modder, en ziet dat alles op haar wacht. Alleen die spiegel was ze vergeten, met dat lichaam erin. Soms hoopt ze dat het haar blik is, die zich met de jaren heeft verscherpt, dat haar oordeel harder is geworden en niet haar vlees zachter, als de ondergraven fundamenten van een pakhuis. En óf ze haar bepakt en bezakt hebben, zoals ze dat met alle vrouwen van het platteland van deze wereld hebben gedaan. Sommigen zullen zeggen: zij daar, dat is een heks. En dan zegt zij: dat is niet eens zo’n slecht idee.

‘Nadjoecha!’
Ik kan nog niet antwoorden. Mijn stem wordt later wakker dan de rest van mij. Draait zich nog een keertje om daarbinnen, zwijgt humeurig. Er komt een moment dat mijn stem helemaal niet meer opstaat, omdat ik eenvoudigweg niets meer te zeggen heb over deze belachelijke bedoening. Ik stamp maar op de vloer, daarop komt alles in beweging: mijn borsten in de spiegel, mijn glazen in de kast, mijn dieren in hun nachtverblijven. Alleen mijn man blijft liggen om te schreeuwen. Zoals zoveel mensen schreeuwt hij omdat hij weinig te zeggen heeft, in ieder geval minder dan vroeger.
‘Nadjjj! Heb je al naar het water gekeken?’
Jezus, de dag is begonnen. Waarvoor eigenlijk? Waarom wordt er in dit van God en alleman verlaten oord niet ook eens een dag vergeten? Gewoon, een etmaal dat wordt overgeslagen, zodat ik meteen aan de nacht kan beginnen. Kan iemand mij vertellen waarom ik nu voor de tienduizendste keer deze overgooier aantrek, in deze stinksloffen schiet, mijn vlecht opbind? Niemand die het ziet. Wat ik schoonmaak, is morgen weer vuil, wat ik voer, heeft morgen weer honger. Wat zou er gebeuren als ik bleef liggen? Dan zou er gewoon een nieuwe dag aanbreken die door niemand werd gezien. Maar kijk, ik loop weer naar mijn man, die al overeind zit, bloot, droog en boos. Zijn heftig op en neer gaande borstkas is ondanks alles behaard en gespierd, alsof hij nog steeds het meeste werk doet hier. Hij is bijna twintig jaar ouder dan ik. Lenja, Levonja, Lev Valerievitsj, professor L.V. Bolotov, geef de man een naam, ziet eruit alsof hij in de kracht van zijn leven is, maar kan zelfs geen hout meer hakken. Of vertikt het gewoon.

‘Heb je al naar het water gekeken,’ herhaalt hij vlak. ‘Nee, nog niet. Ben net op.’
‘Het zal wel weer minder zijn dan gisteren.’ ‘Gisteren was het prima.’
‘We zouden de waterstraal moeten opmeten.’
Hij vouwt zijn handen over zijn geslacht, dat groter lijkt dan toen we nog neukten. Het schijnt dat geboren imbecielen ook grote piemels hebben. De natuur rooft en troost.
‘De diameter noteren en naar het waterbedrijf ermee. We moeten op onze rechten staan.’

 In het middelste van de drie ramen die deze kamer rijk is, verschijnt onze bok. Pontificaal. Met een tong als een bedorven biefstuk schudt hij de klanken uit zijn kop. ‘Bloeblabloeblahaha!’ Het is een van de raadselen in en om dit huis, hoe ons schattige geitje na drie jaar dwergschap begon te groeien, de baard in de keel kreeg en voortaan het geluid voortbracht van een volwassen zwakzinnige. Het was toch echt een vrouwtje, daar kan een mens zich niet in vergissen, geiten zijn geen konijnen. Maar in die derde zomer begon er van alles aan vast te groeien. Sik, hoorns, kloten. Kijk hem nu staan, vier poten in de sneeuw. Knal hem af, zegt Lev, zonder zich naar het beest om te draaien, want hij laat zich in zijn badjas en in zijn sloffen helpen. Hij volgt mijn handelingen niet maar kijkt naar boven, naar de lucht.
‘Heb je nog iets gehoord vannacht?’ vraagt hij.
‘De gebruikelijke paniekgeluiden.’
‘Nee, ik bedoel uit de hemel.’
‘Ach, die.’
‘De Grote Geluiden.’
‘Ja, ja.’

Als hij zo wijs kijkt als nu, lukt het hem even om me aan het twijfelen te brengen. Als hij zo kijkt denk ik opeens dat hij donders goed weet wat ons te wachten staat en dat ik het ben die het spoor bijster is.
‘Het is gewoon iets meteorologisch,’ probeer ik. Het woord ‘meteorologisch’ klinkt geruststellend, roept het beeld op van weerklerken die alles in de hand hebben.
‘We zijn er nog niet vanaf,’ hamert hij, ‘daar kun je gif op innemen.’
‘Bloeblabloeblahaha!’
Lev grijpt naar zijn hoofd.
‘God, naar de slacht met dat monster! Ik kan dit er niet ook nog bij hebben. Het is al erg genoeg allemaal.’

Dit is onze belachelijke bedoening. Zo ziet ons huishouden eruit sinds de kinderen het huis uit gingen en wij achterbleven met elkaar. Als Lev toen had geweten dat hij ook tot de belachelijkheden zou gaan behoren, had hij zichzelf wel afgeknald, maar nu loopt hij naar de badkamer, stapt in de badkuip, draait de kraan open en zeept zichzelf in. O, ik hoop nergens op. Heldere momenten als deze duren nooit lang, later zal ik hem overeind moeten helpen, zal hij met betraande ogen door me heen kijken terwijl zijn eten afkoelt. Zal hij brullend naar buiten stormen en de hemel afspeuren. Zal hij weer terugrollen in bed, zeggen dat we Klimov moeten bellen. Zjenja Klimov, ornitholoog, vraagbaak, hartsvriend, zo’n tien jaar dood. Hij stierf in het jaar dat de bushalte verdween, en de buurman, en zoveel meer, in het jaar dat ik me liever niet herinner.

Maar aan het jaar 1984 denk ik graag. De dag van onze verhuizing was een benauwde, een gevoel dat in onze herinnering is bezegeld met vele matpapieren foto’s. De reis verliep traag. Drie mannen en een zwangere vrouw in een rode Lada Niva met aanhangwagen. Traag, stoffig, oorverdovend. Over het geraas van de motor heen gilden Klimov en Evtjoesjkin mee met ‘Een miljoen rozen’, de hit die keer op keer werd gedraaid, niet alleen die dag trouwens, maar het hele jaar, en het jaar daarvoor, en de jaren daarna. Alla Borisovna, ons aller lieve hese Moedertje Vaderlands. En ik was dus zwanger, wat ik goed voelde toen we dit hobbelige pad afreden. Net als de Lada was ik te zwaarbeladen, met een vracht die niet hier was verwekt maar in een studentenkamer in Leningrad, op de slaapbank die we met ons meesleepten en waar ik nu nog op lig, tussen de andere moderne rommel die slecht paste in het traditionele Russische huis dat op ons wachtte. Zoals de televisie die Lev de nacht voor ons vertrek uit de flat van zijn ex-vrouw had gesmokkeld, waarop we toen één kanaal konden ontvangen maar sinds een paar jaar ook dat niet meer, en die desondanks nog steeds de wacht houdt in de eetkamer, voor de vorm, als een hoogbejaarde, blinde butler. De eetkamer is eigenlijk onze slaapkamer. Het was de bedoeling dat we boven gingen slapen, zoals de kinderen. Iedereen verklaarde ons voor gek dat we de geboorte van onze oudste niet in de stad afwachtten. Maar wij wilden nog genoeg frisse lucht inademen­ voor die tijd en een bedje timmeren van ons eigen hout. Romantisch waren we!

Een miljoen, een miljoen, een miljoen vuurrode rozen, zie je wel, uit het raam? Wie echt verliefd is, tovert zijn leven om in bloemen voor jou.

Ja, nu krijg ik het niet meer uit mijn hoofd.

‘Nadj, het stopt! Het stopt nu voorgoed.’

Lev zit op zijn hurken in de badkuip en probeert water op te vangen uit de hoestende kraan. Het heeft de kleur van slappe thee en de druk neemt af met de week. Ik deel deze angst, deze wel. Zonder water kunnen zelfs wij niet leven. Als wij, de vergeten bewoners om de oevers van de Malaja Smota, van het water worden afgesloten, zullen we moeten vertrekken. Ik kan wel sneeuw gaan rapen, maar een arm vol is net genoeg voor een keteltje thee. En je weet niet wat erin zit, want echte vervuiling heeft geen kleur. De fabriek is al bijna twintig jaar dicht, toch meen ik soms nog de teer te ruiken waarmee ze vroeger die batterijtjes verzegelden. Lev zegt dat ik me weer van alles in mijn hoofd haal als ik zeg dat het geurspoken zijn.

‘Oi, oi, oi,’ zegt hij, druipend in zijn ellende, maar als hij zich uitrekt laat hij doodgewoon een scheet. Ook nieuw. Professor Bolotov liet geen scheten, hij was een keurige man die nooit de deur uit ging zonder een in zessen opgevouwen zakdoek waarmee hij zijn neus afveegde als hij op het punt stond iets te beweren. Elke dag een schone.

‘Kom, handdoek, eten.’

Ik let op mijn woorden, want in deze stemming grijpt hij alles aan voor een meningsverschil. Lev blijft een stellig mens. Geen sprake van dat hij met de jaren versimpelt tot een zachte ziel; hij geniet er nog steeds van om mij vast te praten. Zijn woorden planten zich ongeslachtelijk voort, als bacteriën, zonder enige invloed van buitenaf delen ze zich op en groeien ze uit tot gedachten die niet meer uit zijn hoofd zijn te praten. Hij heeft nooit van koetjes en kalfjes gehouden. Toen ik hem leerde kennen, kon hij hele avonden vullen met getheoretiseer, zonder ook maar een moment mijn blik te ontmoeten. Ik had de leeftijd waarop je redenaars nog bewondert. Pas als je oud en eenzaam bent leer je koetjes en kalfjes te waarderen. Want een redevoering kun je tegen een boom afsteken, en een discussie met een boek voeren, maar voor koetjes en kalfjes zijn twee mensen nodig van vlees, bloed en goede wil.

Lev is nog het meest van vlees en bloed als hij snuffelend aan de keukentafel gaat zitten. Hem laat ik eerst eten, dan de beesten. Woef, woef, piep, piep. De bijkeuken is al een kwartier gevuld met hondenzenuwen. Teef Bamsja acht het namelijk wel goed mogelijk dat er een dag wordt vergeten, met haar erbij. De tijd ligt in de hand die de deur opent en haar aait. Ze ontploft van blijdschap en draait rondjes om haar as voor ze kan piesen en vreten. Dan is het de beurt aan de kippen en de geiten, die uit hun nachthok ontsnappen zonder zich iets van elkaar aan te trekken omdat ze hun profielen alleen naar mij richten, op mijn handen vol boekweitkorrels en gedroogde brandnetels. Daar kronkelen de katten om mijn benen, schopt het paard tegen de staldeur, roept Lev vanaf de veranda of dat alles was, die soep. Ik ben de god die vandaag weer is opgestaan.

Het huis kraakt in de wind, weet het ook niet meer. De eerste keer dat ik het zag, wist ik meteen dat het vrouwelijker was dan ik. Wijzer. Ranke, witgelakte trekken, op de gevel bloeide een clematis, die de winter van ’93-’94 niet zou overleven. Binnen klonk elk geluid van buiten lieflijk. Zelfs het vuil rook lekker, het stof op de vloer was zacht. Ik ging op de veranda zitten en keek naar onze bedoening, die toen nog geen spoor van belachelijkheid vertoonde maar precies zo idyllisch was als ik had gehoopt, en het huis ondersteunde mijn vermoeide rug. Na de reis van tien uur hadden we geen puf meer om uit te pakken. We haalden wat vis uit de rivier, maakten een vuur en wat we voor het slapen nodig hadden sleepten we naar het bordes. Lev stond er ongeveer zo bij als nu, in opgestroopte hemdsmouwen. Zeker van alles waar ik geen weet van had. Ik dacht dat ik hem wel in zou halen. Dat onze leeftijden naar elkaar toe zouden groeien dankzij het kind in mijn buik, dankzij die magische optelsom van moeder en kind.

‘Ik denk dat het terugkomt,’ zegt hij weer. We zitten op de veranda onder een deken en delen een mok opgewarmde thee. Hij kijkt naar de lucht. Ik kijk naar hem. De Grote Geluiden, zoals hij ze noemt, komen niet van onweer of storm, maar klinken nog harder en overkwamen ons drie keer. Ze hebben Lev nerveus gemaakt. Leg je erbij neer, zeg ik, we zijn met pensioen, tijd om ons over te geven aan dagen die zich herhalen met alle rituelen en mysteriën van dien. Als je met pensioen bent moet je in je kopje thee blazen en zeggen: Dat was me wat.

Hij is stiller geworden, de beweringen hebben plaatsgemaakt voor steeds dezelfde vragen: of ik het heb gehoord, of ik weet wat het is en of ik denk dat het terugkomt. Ik weet niet wat enger is, dat hij gelijk heeft, en er inderdaad een groot onheil over ons is gekomen, of dat ik voor de rest van onze dagen aan zijn waanzin ben overgeleverd.

De lucht ziet er dreigend uit, te donker voor dit uur van de dag. Maar is het wel dit uur van de dag? Mensen in de stad kunnen zich niet voorstellen hoe snel de tijd op het land verstrijkt. De ochtenden zijn van de dieren, voor wie geen uur het eerste of het laatste is, van hun vreten en hun stront. De middagen zijn van de gewassen, van hun schimmels en hun plagen, hun scherpe randen in je vingers en hun harde wortels onder je voeten. Tussendoor komt het zinloze huishouden en voor de avonden ben je te moe. Hier gaan dingen echt kapot, komt het onvoorspelbare verschrikkelijk ongelegen, hier zit het weer werkelijk tegen. Er zijn dagen dat ik niets terugzie behalve het spoor van mijn eigen laarzen. Stadsmensen denken dat dit het land van de vergezichten is, dat we hier gelukzalig voor ons uit staren tot het donker wordt, maar dat is niet zo, het zicht zakt eindeloos omlaag, in de nooit opdrogende modder en sneeuw, die je laten bukken. En juist daar, uit het geploeter, komen herinneringen boven waarvan je hoopte dat je ze had begraven. Ik wilde vandaag een tochtje maken met Plov voor de slee, om eens rustig om me heen te kijken. Om me te concentreren op wat er groeit of juist dood is gegaan, op wat er uit de paardenaars in de sneeuw valt en dampend de insecten en vogels lokt. Maar het is alweer donker.

‘Ik voel het,’ zegt Lev, ‘het komt terug.’ ‘En wat dan nog?’
Hij kijkt me even stomverbaasd aan, duikt in zijn thee.

Veel verder zal ons gesprek vandaag niet voeren.

Rond middernacht heerst hier een stilte als op de maan. Ik heb de aardappels voor morgen geschild, de was opgehangen, de beesten in hun hokken geduwd, Lev in bed gestopt. Ik kom op adem in mijn stoel aan de rand van de veranda.

Hier wacht ik op jouw trein. Vertel me, machinist, wat heb je al op een haar na gemist? Waarschijnlijk leg je steeds hetzelfde traject af, waarop je liever niet wordt verrast, maar wat gebeurt er als er een roedel herten voor je wielen komt en je niet meer kunt remmen? Die kans zit erin, zeker hier, ook buiten de bronsttijd. Ook die beesten zijn niet meer bang voor ons, verzeker ik je. Steeds klinkt mijn ademhaling, soms ook de aarzelende roep van een uiltje, maar die is niet aan mij gericht. De trein wel, die is alleen voor mij bestemd. En jij, machinist, bent als enige daar, als enige werkende, wakker in je cabine. Je beloofde dat er elke nacht een trein zou komen. Misschien stop je nu wel. Wacht, nu nergens aan denken, niet te hard ademhalen nu, thee doorslikken, ogen dicht, luisteren. Daar kom je, daar komt de ijzeren vloedgolf aangezwollen. Elke nacht hoop ik op zoveel mogelijk wagons. Zonder die wagons kan ik niet meer slapen, ze sussen me zoals mijn oma dat kon. Niets zo geruststellend als de gedachte dat er vlakbij nog iemand wakker is, aangekleed. In functie. Elke nacht, voor de duur van een wisselend aantal wagons, delen jij en ik deze verlaten kilometers van ons land. Je bent altijd op tijd, machinist, ondanks je eenzaamheid, die misschien nog wel groter is dan de mijne. Ritmisch hameren jouw treinstellen, wagon na wagon na wagon na wagon na wagon. Hoor je ze zelf ook, in je cabine? Een miljoen, een miljoen, een miljoen, een miljoen, een miljoen. Je volgt het liedje in mijn hoofd. Ik hou mijn ogen dicht, mijn hart probeert het gebonk in te halen, misschien laat je nog een fluitsignaal klinken, maar helaas, je bent alweer voorbij. De cadans lost op in een veel trager slinkende ruis, tot ook die door de wind wordt weggenomen. Dit was het voor vandaag. Het was een korte ontmoeting en ’s nachts voerde de trein haar weg, maar in haar leven bleef het waanzinnige lied van de rozen... Ja, waanzinnig, dat zou ik best wel eens kunnen worden.

Waarom Libris
Boekbestellingen vanaf € 15,- GRATIS thuisbezorgd.
Kies uit meer dan een miljoen artikelen, waaronder ruim 25.000 Nederlandse ebooks.
Thuis bestellen en bezorgen of afhalen en betalen in de boekhandel.
Ruim 85.000 boeken op werkdagen voor 23.00 besteld, de volgende dag bezorgd
Volg uw bestelling via Track & Trace van PostNL
Bijna 100 aangesloten kwaliteitsboekhandels.
pro-mbookslibr1 : libris