Juni 2018: Kun je gedichten eigenlijk wel vertalen?

Het vertalen van poëzie wordt vaak zeer moeilijk genoemd en soms zelfs onmogelijk. De Amerikaanse dichter Robert Frost (1874 – 1963) zei: ‘Poetry is what is lost in translation.’ Dat is sterk uitgedrukt, maar zijn uitspraak is wel begrijpelijk. Neem ‘Bitterbessie dagbreek’ van de Zuid-Afrikaanse dichter Ingrid Jonker (1933 – 1965). Het staat in de tweetalige bundel Ik herhaal je; de vertalingen zijn van Gerrit Komrij.

Jonkers gedichten zijn klankrijk en ritmisch, ze schreef beeldend en haar woordkeus is aantrekkelijk.  Dat beleef je pas echt als je de gedichten in het Afrikaans leest, want - met alle respect -  in de vertaling van Komrij gaat veel verloren. Ik citeer de eerste twee strofen van het gedicht; het volledige kunt u hier vinden.

BITTERBESSIE DAGBREEK

Bitterbessie dagbreek

bitterbessie son

’n spieël het gebreek

tussen my en hom

 

Soek ek na die grootpad

om daarlangs te draf

oral draai die paadjies

van sy woorde af

BITTERVRUCHT VAN DAGERAAD

Bittervrucht van dageraad

bittervrucht van zon

een spiegel is gebroken

tussen mij en hem

 

Wil ik langs de hoofdweg

rennend op een draf

telkens slaan er paadjes

van zijn woorden af

In het origineel zorgen de volgende elementen voor een speelsheid die tegengesteld is aan de inhoud, die daardoor des te schrijnender overkomt:

de herhaling van de medeklinkers ‘b’ en ‘s’ in combinatie met het ritme (‘Bítterbessie dágbreek / bítterbessie són)
het gekruiste rijm, samen met de afwisseling van vol- en halfrijm (‘dagbreek / gebreek’ en ‘son / hom’)

Bij Komrij vind je daar niets meer van terug. En in de tweede strofe: het tastende ‘Soek ek’ bij Jonker is veel sterker dan het wat verongelijkte ‘Wil ik’ bij Komrij. En ook het ‘oral’ (overal) past beter bij de verwarring waarin de ‘ik’ verkeert dan het ‘telkens’ bij Komrij. ‘Telkens’ is alleen maar irritant hinderlijk voor iemand die langs de hoofdweg wil draven.

Komrij was een dichter met een goede vormbeheersing; hij had daarom kunnen streven naar vertalingen die net zo rijk zijn als het origineel. Hij had zich dan wel veel vrijheden moeten veroorloven, waardoor er in feite geheel nieuwe gedichten waren ontstaan. Die keuze wordt vaak genoeg gemaakt, met meer of minder succes. In de aanpak van Komrij kan ik me wel vinden, omdat we ook beschikken over de originele gedichten.

Overigens kan proza ook zeer moeilijk te vertalen zijn. Hoe moet je in godsnaam zo’n relativerende, humoristische en tegelijkertijd diepgemeende zin van Reve vertalen? ‘Mijn grondthema – eigenlijk het thema van alle kunst – is drievuldig: het falen van de Liefde, de Eenzaamheid, (Zelf) Ouder Worden, en de Doodt, en het Zoeken naar Godt.’ Hij komt uit Brieven van een aardappeleter – en hoe moet je dat woord dan weer vertalen? Er zit een wereld achter.

 

 

 

  

Foto © Jacinthe Sykora

April 2018: Suicide by Microwave werkt alleen in de film van Runa Svetlikova

Het onderstaande gedicht staat in de tweede bundel van de Vlaamse dichteres Runa Svetlikova (1982), Drieëntwintig tips om de hond en je demonen aan de lijn te houden en een postscriptum.

Suicide by Microwave werkt alleen in de film

Je vergist je: het gillen op de kast dat zijn de bloemen
niet bloemen gillen niet ze dragen een kroon een kelk

ze hebben een bodem net als jij en stempels maar geen
stem. Bloemen dwingen niet het zijn gewoon

stervende stukjes flora je zet hen in een vaas
nadat je de folie wegsmeet zorgvuldig scheef de eindjes

van de stelen sneed voeding in het water deed en alles
alles netjes schikte. Bloemen eisen geen ik ook van jou

bedoelen niet word snel weer beter zodat we zoals altijd
op café en jij dan eindelijk wat je beloofde bloemen
zeggen niet proficiat je doet het goed maar

haal nog iets dieper
adem luister dat gegil
het zijn de bloemen niet.

Als je dit gedicht voor de eerste keer leest, kun je struikelen over eigenaardige regelafbrekingen en zinnen of zinsdelen die onaangekondigd beginnen. Bij tweede lezing lees je in gedachten leestekens of pauzes en dan wordt het begrijpelijker:

Je vergist je: het gillen op de kast dat zijn de bloemen
niet. Bloemen gillen niet, ze dragen een kroon, een kelk,

ze hebben een bodem - net als jij - en stempels, maar geen
stem.

Je ziet nu ook beter dat je op het verkeerde been wordt gezet door de regelafbreking ‘bloemen/niet’: de bloemen lijken te gillen - vreemd - en direct daarna blijkt dat niet zo te zijn. Maar wie gilt er dan wel? Die ‘je’ denk ik, een verhuld ik, iemand die zichzelf in gedachten toespreekt. Uiterlijk lijkt zij* rustig, dat zie je aan de manier waarop ze die bloemen in de vaas zet, maar in werkelijkheid beleeft ze een gillende paniek. Ze lijkt ziek te zijn (depressief?) en voelt zich tekortschieten. De dichteres laat haar de bloemen niet voor niets ‘stervende stukjes flora’ noemen: zo voelt de hoofdpersoon zich.
De vorm van het gedicht verbeeldt die paniek: de verwarring door die regelafbreking, de spaarzame interpunctie die maakt dat zinnen over elkaar struikelen, de herhalingen en het gejaagde ritme: lees het maar eens hardop, dan hoor je het.

Misschien raakt de bundeltitel de kern van Svetlikova’s dichterschap: houd je demonen en honden aan de lijn, omdat ze anders met je op de loop gaan, maar verberg ze niet, want dan zou je als dichter weleens uitgeschreven kunnen zijn. Dat wil overigens niet per se zeggen dat Svetlikova een depressief persoon is, want als dichter kun je gevoelens en gedachten naar believen selecteren en uitvergroten. En humoristisch is ze ook: de bundeltitel en de titel van het gedicht (en andere middelen) vormen een tegenwicht tegen de ernst van de inhoud.

* ze, omdat dat blijkt uit de andere gedichten

Voor wie meer over de bundel wil weten: mijn recensie vindt u hier.

 

 

 

  

 

Foto © Jacinthe Sykora

Februari 2018: Façade van Tim Pardijs

Dit najaar verscheen een prachtig bibliofiel bundeltje: Onder het prikkeldraad door van ex-stadsdichter Tim Pardijs en etser Wim van der Meij. Etsen en gedichten vormen eenheden. Een voorbeeld is 'Façade'.

Façade

Het dak moet je goed bekijken, zien
dat de muur het met moeite draagt,
hoe schaduw van de pannen sijpelt,
wegspoelt de grond waarop hij steunt.

Uit de coulissen worden al hekken
en struiken het beeld in geschoven,
een bomenrij krijgt een andere
plek. Kijk, daar valt je blik over

de einder, wordt het dak gestut en
hersteld, de afbrokkelende muur
opgelapt, de kozijnen geschilderd

met licht, de bodem bedekt door wit
zand, volgestort met mooie woorden
de kelder, geloof dat je hier wonen kan.

In de eerste strofe van het gedicht lijkt er iemand aan het woord te zijn die je opmerkzaam maakt op details. In de tweede strofe gebeurt er iets geks: er ‘worden al hekken / en struiken het beeld in geschoven’, uit de coulissen nota bene: het lijkt wel of er een decor wordt klaargezet. Wordt hier gezegd dat de ets een compositie is die zijn eigen eisen stelt? Mocht dat zo zijn, dan is de titel duidelijk. Een façade kan een vooraanzicht zijn, maar ook een middel om de schijn hoog te houden. In dit geval: geen letterlijke weergave van de werkelijkheid, maar een ets die daarop gebaseerd is.
Vreemd is ‘over / de einder’ in de derde strofe, want je kunt op de ets helemaal niet zien of er een huis wordt opgeknapt. Of zou afstand hier worden gebruikt om tijd aan te geven? (Vergelijk: ‘Mijn pensioen is nog heel ver weg’). Dan zouden de herstelwerkzaamheden in de toekomst plaatsvinden. Maar wat heeft dat met deze ets te maken? En wat moet je met die kelder die wordt volgestort met mooie woorden?
Bij dat laatste moet ik denken aan de beginregels van ‘Woninglooze’, het bekendste gedicht van Slauerhoff: ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen / Nooit vond ik ergens anders onderdak’. Verder associërend: dan moet je het huis / gedicht wel bewoonbaar maken. Gaat dit gedicht misschien zowel over het maken van een ets als van een gedicht? Hoe een dichter een werkelijkheid in woorden schept en een etser in beeld? ‘Mooie woorden’ en ‘geloof dat je hier wonen kan’: is dat de façade van de dichter die de lezer in de werkelijkheid van zijn gedicht wil laten geloven? ‘Mooie woorden’, dat zeg je ook weleens over wensdenken: ‘Rob zegt dat nu wel, maar het zijn allemaal mooie woorden.’
Mij heeft de dichter in ieder geval overtuigd, ik geloof in zijn gedicht.

 

 

  

 

 

Ets bij Façade © Wim van der Meij

November 2017: Geëngageerde poëzie van Herman Gorter en Ruth Lasters

Poëzieliefhebber Hans Puper bespreekt een gedicht. Hij laat zien wat je kunt beleven als je aandachtig leest. In deze nieuwsbrief: geëngageerde poëzie van Herman Gorter en Ruth Lasters.

Herman Gorter (1864 - 1927) ontwikkelde zich van een van de voormannen van de Beweging van Tachtig tot een gezaghebbend socialist, die Lenin onder zijn kennissen mocht rekenen. Zijn poëtica veranderde mee. Beschouwde hij poëzie aanvankelijk als volstrekt autonoom (poëzie als doel in zichzelf), later werd het een middel. Hij wilde kond doen van zijn ideaal, het socialisme, en zijn poëzie werd geëngageerd, veranderde van doel in middel.

Een vlies, een zachte film, het socialisme
hangt in de lucht over het land en stad.
Een zachte kleur mengelt zich stil daaruit,
als in het dunne vliesje van een zeepbel,
zooals in een plant, in een erwt of boon,
kern van nieuw leven zich in een vlies hult,
zooals in 't zoete lichaam van een vrouw,
in haar groote, in haar wondere buik,
het kind, het eerste zaadje van een kind,
zich hult in een vlies - zoo zweeft nu een glimmer
van 't socialisme door de maatschappij.

(Uit: Verzameld werk, deel 2)

Socialisten als hij, maar ook dichters die hun engagement verbonden aan het protestantisme, katholicisme of humanisme, waren zeker van hun zaak. Ze hadden mensen iets te vertellen dat vastomlijnd was.

De tijd van de grote Westerse ideologieën is voorbij en we leven nu in een seculiere maatschappij, al zou de huidige coalitie dat niet doen vermoeden. De wereld is veel onoverzichtelijker geworden, onder andere door de globalisering en de rol van de sociale media. Waarheid is een relatief begrip geworden en sommige dichters vinden het daarom moeilijk een houding te vinden tegenover de hen omringende wereld. Het engagement bleef uiteraard, maar veel meer dan vroeger richt dat zich op actualiteiten, los van een ideologie: zie bijvoorbeeld de gedichten van de Dichter des Vaderlands, Ester Naomi Perquin. Het instituut Dichter des Vaderlands op zichzelf kun je trouwens al als een vorm van engagement beschouwen: een poging poëzie meer dan voorheen een maatschappelijke functie te geven. Datzelfde geldt voor de welhaast onafzienbare hoeveelheid stads-, dorps- en streekdichters.
Actualiteiten raken echter snel vergeten en gedichten die daarop gedetailleerd ingaan worden daarom al snel onbegrijpelijk. Dat geldt niet voor het gedicht ‘Munt’ van de dichteres Ruth Lasters. Zij werd door de makers van het Vlaamse radio-actualiteitenprogramma Bonus uitgenodigd een gedicht voor te lezen in hun aflevering over hedendaagse armoede. Ze gebruikt geen details, maar het gedicht is wel herkenbaar van deze tijd:

Stel dat de munteenheid telkens verandert om
middernacht. Neem nu dat gisteren het planetaire
betaalmiddel lenigheid was. De rijksten waren gisteren

de acrobaten, die met één enkele saltoreeks een huis
betaalden. Nee, vandaag biedt lenigheid tegen armoe niet langer
garantie. De munteenheid van deze dag is een vorige herfst geraapte

wilde kastanje. Geduld dus nog, kleine Soraya, tot de klok van twaalf.
Dan gaan de beurzen dicht en opnieuw open, wordt bepaald of morgen
een vermogend man grossiert in zilveren snaren van

gitaren of in aaisoorten, je dus even alleen arm bent als je
aanrakingen druppen als uit vingertoppen van versleten
kraangaas.

Een humoristisch gedicht, zonder het schrijnende onderwerp te relativeren. Mooi.

***
Het gedicht van Ruth Lasters staat in het onlangs verschenen Alsof er niets is gebeurd. Een jaar nieuws in gedichten. (Onder redactie van Kristien Bonneure, Katrien Kubben en Badra Rezkallah, uitgegeven door het Poëziecentrum in Gent).

 

 

 

 

foto © Jacinthe Sykora

 

Augustus 2017: Het Wijckeler Hop van Tsjêbbe Hettinga

Tsjêbbe Hettinga: lezen, luisteren en zien

Een lied in een voor mij vreemde taal kan me diep raken en ik ben vast niet de enige. Je voelt wel aan waar het over gaat, kennelijk heb je daar de taal niet altijd voor nodig. Bij poëzie is dat soms ook zo. De Friese dichter Tsjêbbe Hettinga (1949 – 2013) schreef uitsluitend in zijn moedertaal, maar maakte in binnen- en buitenland grote indruk met zijn voordrachten. Het deed voor de meesten niet ter zake of zij Fries verstonden: hij hypnotiseerde het publiek met zijn stem, zijn lichaamstaal, zijn ritmiek met lang aangehouden klinkers, zijn alliteraties, assonanties en binnenrijm. Mooie voorbeelden zijn te zien op de site over hem.
Ik vind het intrigerend dat lezen en luisteren zulke verschillende activiteiten zijn. Op de site staat ‘Het Wijckeler Hop’ (dat is de naam van een deel van het Slotermeer). Je kunt zowel naar zijn voordracht luisteren als het gedicht in het Fries en het Nederlands lezen. (Laat u zich bij het luisteren niet misleiden door de lange pauzes tussen de tekstgedeelten, het gedicht heeft drie delen).

Ik geniet nog steeds van zijn voordracht van ‘Het Wijckeler Hop’, al heb ik hem al verschillende keren gehoord. En ik kan het gedicht ook blijven lezen. De manier waarop hij de onherroepelijke voortgang van de tijd verbeeldt en tegelijkertijd wijst op de dingen die altijd hetzelfde blijven en waarin je de vergeefse wens zou kunnen zien de tijd stil te zetten of misschien zelfs terug te draaien, raakt me:

Tijd, in de vorm van kieviten die als ik
    En andere dieren geen raad weten
Met de stilte op deze zoele middag,
    Vliegt, en het geluid van mannetje noch
Wijfje is veranderd sinds het kind holde,
    Naar wat in ons onbewegelijk is,
( … )
Eeuwigheid: een snotjongen met een jampot.

En tussendoor het leven, het onvervulbare verlangen, de liefde. De eerste regels zijn onvergetelijk: ‘En weer op de vlucht voor de lekkende kraan / Van het verdriet, met een dorst in de keel / Van iets dat nooit te verslaan zal zijn.’  En aan het slot de subtiele omkering die de eeuwige cyclus van het ondraaglijke verlangen en de vlucht ervoor rondmaakt: ‘Een beeld van een vrouw steekt de kop op, en dorst. / Driftig geeft het hart de maag zijn benen, / En weer op de vlucht naar de lekkende kraan / Van het vertier, valt, koel, de eerste drup.’

Tsjêbbe Hettinga was een gevoelig man. Maar hij was niet iemand die zijn emoties rechtstreeks op papier gooide. Hij wilde ze overbrengen op zijn lezers en dan moet je precies weten wat je doet. Daar heb je een helder hoofd en vakmanschap voor nodig – ik hoop dat ik dat in het bovenstaande heb laten zien. Maar het is geen maakwerk: sterke emoties, ideeën en flarden van regels zullen aan de gedichten ten grondslag liggen, dat voel je.

(Deze bespreking is gebaseerd op mijn recensie van Het vaderpaard / It faderpaard, de verzamelde gedichten van Tsjêbbe Hettinga.

Eerder besproken

 

 

 

 

 

Mei 2017: Het volmaakte gedicht bestaat niet

De Amerikaanse dichter Marianne Moore (1887 – 1972) schreef in 1967 het gedicht ‘Poetry’. Het bestaat uit vier regels:

I, too, dislike it.
    Reading it, however, with a perfect
        contempt for it, one discovers in
it, after all, a place for the genuine.

In de vertaling van Arthur Wevers:

Ook ik houd er niet van.
   Wanneer men poëzie leest echter, met een
       volkomen minachting, ontdekt men er,
    tenslotte, toch ruimte voor het authentieke in.

Is dit niet wat eigenaardig voor een dichter? Volgens de, eveneens Amerikaanse, dichter en essayist Ben Lerner niet: hij schreef een boeiend essay met de uitdagende titel Waarom we poëzie haten. Volgens hem schiet ieder gedicht tekort en iedere goede dichter (en lezer) beseft dit. Het volmaakte gedicht is onbestaanbaar; wat je ten diepste van poëzie verlangt valt in taal niet uit te drukken. Wel kun je een idee krijgen van wat een dichter voor ogen stond door het feitelijke gedicht zeer aandachtig of voor mijn part ‘genadeloos kritisch’ te lezen. Het woord ‘minachting’ zou ik niet snel gebruiken, al denk ik wel te begrijpen waarom Moore dat doet: alleen als je zonder enig mededogen zoekt naar wat niet is gelukt, kun je een idee krijgen van wat de dichter met zijn gebrekkige taalgereedschap had willen maken.
Juist goede dichters lijden aan hun onmacht. Soms zo erg, dat ze stoppen met dichten. Een bekend voorbeeld is Rimbaud (1854 – 1891), die op zijn eenentwintigste de literatuur vaarwel zei, vervolgens kort dienst nam in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger en na allerlei omzwervingen handelaar in ivoor, dierenhuiden en wapens werd in Abessinië, het voormalige Keizerrijk Ethiopië.

Niet iedereen stopt ermee, gelukkig. Nijhoff nam in zijn bundel Nieuwe gedichten (1934) het bekende gedicht ‘Het kind en ik’ op. Hij snijdt hetzelfde probleem aan, maar Lerner zou in dit geval zeggen dat Nijhoff ‘een tactische zege’ heeft behaald op zijn onmacht. Een tijdelijke weliswaar, maar toch een zege. In het geschreven en dus onvolmaakte gedicht heeft hij het onhaalbare ideale gedicht toch voelbaar gemaakt:

Het kind en ik

Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos.
 
Er steeg licht op van beneden
uit de zwarte spiegelgrond.
Ik zag een tuin onbetreden
en een kind dat daar stond.
 
Het stond aan zijn schrijftafel
te schrijven op een lei.
Het woord onder de griffel
herkende ik, was van mij.
 
Maar toen heeft het geschreven,
zonder haast en zonder schroom,
al wat ik van mijn leven
nog ooit te schrijven droom.
 
En telkens als ik even
knikte dat ik het wist,
liet hij het water beven
en het werd uitgewist.

Ik denk dat Moore met haar stelling over minachtend lezen een hyperbool gebruikte. De soep wordt niet zo heet gegeten als zij wordt opgediend, maar met ‘Poetry’ zet Marianne Moore dichters en lezers wel aan het denken.

***
Mijn recensie in Meander Magazine over het essay Waarom we poëzie haten van Ben Lerner was het uitgangspunt van deze bespreking. Naast het tekort van taal gaat hij in op de vraag of poëzie universeel kan zijn en of poëzie maatschappelijke veranderingen in gang kan zetten.

Maart 2017: Orfisch III van Anneke Brassinga

In Een leeuwerik boven een weiland, een bloemlezing van K. Schippers uit eigen werk, staan vier ultrakorte gedichten, elk op een eigen pagina: ‘zwart bedekt wit’, ‘zwart bedekt’, ‘bedekt wit’ en ‘bedekt’. Ze staan alle vier links bovenaan. Het vele wit valt op, het wekt verwondering: Schippers maakt een wit vel papier leger door het een klein beetje te vullen. Zonder het wit had hij dat niet kunnen laten zien: het is dus een onderdeel van het gedicht.

Het gedicht dat aan deze reeks vooraf gaat, heet ‘Wit’. De laatste regel luidt: ‘Wit is een oude meester’.

Anneke Brassinga kent die kracht van het wit. In 2014 verscheen haar bundel Het wederkerige. Daarin staat een cyclus van vier gedichten onder de titel ‘Orfisch’. Dit is het derde:

Zoals aan de zwevende kreet van de buizerd
voor wie luistert op het veld,
zo is aan deze wevende stilte

afstand af te meten –
van ongerepte aard. Het regiment,
bij dageraad vertrokken,

het heeft de horizon beklommen
en is, met fluiten en trompetten,
daarachter afgedaald

naar velden van vergetelheid,
geen klank
komt ervandaan.

En al mijn leven
zal ik wachten
of daar mij roept

wat zwijgt.

We kennen de mythe van Orpheus en Eurydice. Gaat het ook in dit gedicht om een verloren geliefde? Er is in ieder geval sprake van twee gescheiden werelden en stilte speelt een hoofdrol: je hoort geen enkele klank uit de velden van vergetelheid. Er is sprake van een ‘wevende stilte’ (prachtig!), een stilte die zich uitbreidt. Een uitbreiding in tijd? Dat kan: hoe langer het is geleden dat een geliefde stierf, hoe stiller het wordt. De afstand wordt groter.
Na de woorden ‘wevende stilte’ volgt een witregel: een verbeelding van die stilte. Iets dergelijks zie je na ‘afgedaald’. Daarnaast bevatten de opeenvolgende strofen steeds minder woorden, er komt meer wit: het wordt steeds stiller.
De laatste twee strofen vind ik meesterlijk. In de eerste plaats door de paradox ‘roept’/ ‘zwijgt’;  in de tweede plaats door de witregel na ‘roept’: de ‘ik’ luistert, maar hoort niets. En dan: ‘wat zwijgt’, omgeven door heel veel wit.
Stel dat Brassinga van ‘Orfisch III’ een prozagedicht had gemaakt, dan zou je toch een hoop missen:

Zoals aan de zwevende kreet van de buizerd voor wie luistert op het veld, zo is aan deze wevende stilte afstand af te meten – van ongerepte aard. Het regiment, bij dageraad vertrokken, het heeft de horizon beklommen en is, met fluiten en trompetten, daarachter afgedaald naar velden van vergetelheid, geen klank komt ervandaan. En al mijn leven zal ik wachten of daar mij roept wat zwijgt.

Wit is een oude meester.

***
Anneke Brassinga (2014). Het wederkerige. De Bezige Bij, 72 blz.
K. Schippers (1996). Een leeuwerik boven een weiland. Querido, 276 blz. Tweede,vermeerderde druk.
In 2014 schreef ik een bespreking over ‘Wit’ in de reeks ‘Klassiekers’ van Meander Magazine. De bovenstaande is daarop gebaseerd.

 

 

 

 Wederkerige

 

November 2016: Eensklaps roeken van H.C. ten Berge

Over de schrijftips van H.C. ten Berge


Dichter H.C. ten Berge schreef in de Nieuwsbrief van september de column 'Wat een schrijverschap in stand houdt en versterkt'.  Hij geeft daarin een aantal schrijftips waaraan hij zich uiteraard ook zelf houdt.

Een van die tips: 'Een kritisch taalbewustzijn [is] een absolute voorwaarde. Geen wollig, slap of troebel woordgebruik: troebele taal baart troebele gedachten.' In het gedicht 'VIII / Afgebroken sermoen' uit de verzamelbundel Cantus Firmus (p. 222) zegt hij het zo:

Wie zijn denkbeelden in morsig taalvel steekt,
tuimelt in het graf van de gefnuikte zinnen.

Met deze regels is dat niet gebeurd, integendeel. Ze zijn een demonstratie van een andere tip: 'wees je bewust van ritme, ruimte, klank en adem. Beperk je tot compacte en geladen zinnen, beelden, taalfiguren.'
Een paar voorbeelden. 'Morsig taalvel': dat houd je tussen duim en wijsvinger ver van je af. Heeft u weleens verkiezingsprogramma's gelezen? In negen van de tien gevallen hebben die een grondige wasbeurt nodig.
Ten Berge schrijft 'tuimelt' in plaats van 'valt' of 'belandt'. 'Tuimelen' zie je voor je en in mijn beleving schept dat ruimte. Bovendien wordt het ritme speelser: lees de regels maar eens hardop. En neem het woord 'gefnuikte'. Je hoort of leest dat zelden, wel 'fnuikend':  een fnuikende ontwikkeling bijvoorbeeld. Dat woord gebruik je als iets gaande is, maar 'gefnuikt' is voorbij, dood. Mooi. En tot slot de klanken: de 't', 'st' en 't' in taalvel , steekt en tuimelt, het binnenrijm in tuimelt en gefnuikt, de 'g' en 'f' in graf en gefnuikt.
Prachtige regels.

Nog een voorbeeld van zulke geladen regels vind je in een genadeloze, onvergetelijke typering, die nog sterker wordt als je weet dat sneeuw voor Ten Berge vaak een beeld is van schoonheid, zuiverheid, tijdloosheid en in het laatste gedicht van zijn nieuwe bundel Splendor ook van geluk. Onderstaand citaat komt uit 'Decembernotities', Cantus Firmus, p.89.

Sneeuw werpt een smet op de kraag van de hebgrage
dikhals met haast; rijk maar berooid

blaast hij smeltzieke schoonheid van zijn revers.


Ik ga op deze regels niet zo diep in als op de vorige, ik wil niet in herhalingen vervallen. Wel wil ik wijzen op de tegenstelling tussen 'smet' en 'smeltzieke schoonheid', het rijm en halfrijm in 'de kraag van de hebgrage / dikhals met haast' – let ook op de 'h's – en de woordgroep 'rijk maar berooid'. Dat is een omkering van veelgebruikte formuleringen als 'arm maar gelukkig'. Dat zijn inmiddels clichés geworden en juist daardoor valt die omkering op.

Het is herfst en daarom het gedicht 'Eensklaps roeken'. Als u het leest, liefst een paar keer en met beide tips in uw achterhoofd, dan ziet u hoe mooi het is:

Eensklaps roeken zwermend boven de rivier.
Opgewonden, buiten zinnen,
dol van wind en grauwe wolken buitelen ze
om de hoge brug.
Acrobaten in de lucht, opgezweept
en roekeloos
door een geheime kracht
waaien ze in duikvlucht telkens weer omhoog,
de vleugelflappen rafelig
als een afgedragen doodshemd
wapperend aan een waslijn op het land.
Honderd en meer roeken wervelen aan de vroege avondhemel,
dronken en euforisch
in de eerste najaarsstorm –

(In: Cantus Firmus, p. 315)

De oude brug en de rivier komen vaker voor in zijn gedichten. Loop eens naar de Kuiperstraat, dan kunt u 'IJsselbrug in de ochtend' op de gevel zien staan.

Eerder besproken

 

 

 

 

Cantusfirmus

September 2016: Geluk heeft een adres van Menno Wigman

GELUK HEEFT EEN ADRES  

De zon schuift voor de zon, A day in bed,
hoe heet dat boek ook weer? Niet denken nu,
rust uit. Je hebt vandaag geen mens beschaamd,
    laat staan jezelf. Rust uit, het gaat je best:
       geluk heeft een adres.

Opeens, heel vreemd, een woensdag van oud licht,
je moet naar school en 's ochtends wrijft een hand
met spuug de slaap uit je ogen, de rij,
    de rekenles en daarna water, wit
        en heilig zwem je weg.

De zon schuift voor de zon. Het is een dag
van koffie, kamerjassen en geluk
om niks. Het water kust de kaden schoon.
    Een klas loopt door het licht. Toch mooi dat dit
        gedicht niet nodig is.

Menno Wigman

Uit: Slordig met geluk. Prometheus, 2016

Een goed (of mooi, interessant, ontroerend) gedicht nodigt uit tot herlezing en vaak zie je dan steeds andere dingen. Neem 'Geluk heeft een adres' van Menno Wigman. Bij eerste lezing lijkt dit een gedicht te zijn over een zorgeloze dag thuis, 'een dag / van koffie, kamerjassen en geluk / om niks'. Er schuift geen wolkje voor de zon, maar de zon zelf. Een innerlijke zon? Na eerste lezing blijf je met een paar vragen zitten. Vandaag heeft de 'je' (die ik lees als een verhuld 'ik') bijvoorbeeld niemand beschaamd, ook zichzelf niet. Is een gelukkige dag voor hem dan een uitzondering? En wat moet je met de opmerking dat dit gedicht niet nodig is? Het is er toch? En waar zou je een gedicht voor nodig hebben?

Vreemd is ook dat 'A day in bed' cursief is afgedrukt, waardoor het extra nadruk krijgt. De hoofdletter 'A' is ook gek; dat verwacht je niet na een komma. Even googelen: het is de titel van een ontroerend gedicht van Katherine Mansfield over een klein meisje dat ziek in bed ligt. Ze is bang dat iedereen haar is vergeten, terwijl  er een harde, angstwekkende  wind waait. Als het inderdaad om het gedicht van Mansfield gaat: waarom komt het juist nu bij hem op? Is hij zelf angstig? Probeert hij met een zelfvermaning  als 'Rust uit, het gaat je best' zijn angst te bezweren? Maar wat is er dan met hem aan de hand?

In de tweede strofe herinnert hij zich 'een woensdag van oud licht'. 'Heel vreemd', zegt hij, maar zo vreemd is dat niet. Hij wil doen alsof er niets aan de hand is, maar waarschijnlijk heeft het klasje dat buiten loopt een akelige herinnering opgeroepen. Het lijkt erop dat hij vroeger als schooljongen te water is geraakt: 'wit / en heilig zwem je weg.' Wit, de kleur van de dood: hij leek uit het leven te zwemmen, hij verdronk bijna. Het klasje uit de derde strofe loopt niet in 'oud licht' dit keer, maar in 'het licht' en zo worden de tweede en derde strofe met elkaar in verband gebracht. Is de dichter bang dat er iets gebeurt?

Volgens mij is dit een gedicht over angst en het schrijven ervan is een middel om die angst bezweren. Het is in dit geval niet nodig, zegt hij, maar het is er intussen wel. Met andere woorden: hij neemt zichzelf ook met die opmerking in de maling. Het gedicht is wel degelijk nodig.

Ik ben er zelf nog niet klaar mee. Ik weet niet goed wat ik moet denken van het zinnetje 'Je hebt vandaag geen mens beschaamd, / laat staan jezelf.' Ik houd me aanbevolen voor suggesties.

Over de klank, het ritme en het inspringen van de regels heb ik het niet gehad, want dan zou dit stukje te lang worden. Maar als u erover nadenkt, wordt u vast beloond.

 

 

 

Menno Wigman

 

Waarom Libris
Boekbestellingen vanaf € 15,- GRATIS thuisbezorgd.
Kies uit meer dan een miljoen artikelen, waaronder ruim 25.000 Nederlandse ebooks.
Thuis bestellen en bezorgen of afhalen en betalen in de boekhandel.
Ruim 85.000 boeken op werkdagen voor 23.00 besteld, de volgende dag bezorgd
Volg uw bestelling via Track & Trace van PostNL
Bijna 100 aangesloten kwaliteitsboekhandels.
pro-mbookslibr3 : libris