Rij: augustus 2017

Augustus 2017: Menno Tamminga

‘Is dit geen mooie plek om weer een boek te schrijven’, zegt de vrouw die een jaar eerder mijn vrouw was geworden. We lopen met een makelaar door een huis in Zutphen. Na 55 jaar Amsterdam verhuis ik naar het oosten. Vanwege de liefde. Zutphen staat boven aan ons lijstje.
Deze kamer is licht, met uitzicht op een boom en daarachter verscholen de toren van de Walburgiskerk. Ik zie me zelf hier wel werken. In 2009 heb ik een boek geschreven over de trend dat steeds meer grote Nederlandse bedrijven worden overgenomen door buitenlandse concurrenten. Is dat een goede ontwikkeling? Nee.
Ik heb m’n zinnen gezet op de FNV. Het dramatisch slot heb ik al, het begin ook. Maar de eerste poging is mislukt omdat mijn beoogde hoofdpersoon er geen zin in had.
Zomer 2016, twee jaar later. Nu is het geen poging meer, maar een concreet project, met een uitgever (De Bezige Bij), een voorschot om zeven weken onbetaald verlof te overbruggen en het voornemen om alle vakantiedagen op te maken. En over de beoogde  hoofdpersonen maak ik me geen zorgen.  Of ze nu mee willen doen, of niet, dat boek zal er komen. De Vuist van de Vakbond gaat het heten.
Twee boeken…maakt mij dat een schrijver? Ik bén helemaal geen schrijver, zei ik tegen Ine Soepnel toen ze me polste voor deze rubriek. Bij een schrijver denk ik altijd aan wat een Vlaamse auteur van De Bezige Bij mij eens vertelde over zijn werkritme. Elke ochtend na het ontbijt zwaaide hij zijn vrouw uit, verliet het huis aan de achterzijde, liep 60 meter de tuin in, opende de deur van zijn ‘schrijverskot’ dat anderen een tuinhuisje zouden noemen. En ging aan het werk. Discipline.
Ik ben geen schrijver, maar een journalist bij NRC Handelsblad, die onder meer wekelijks een column over economie schrijft. Met die korte krantendeadlines kan ik lezen en schrijven, maar een manuscript inleveren over zeven maanden? Dat boezemt angst in. Alle kaders vallen weg. Alsof ik van een zwembad met een 25 meter baan opeens in zee ben terechtgekomen, eindeloos veel water, zoveel ruimte, alle tijd.
Werkende weg stapelt het papier zich op: meters krantenarchief, rapporten, boeken, uitgetikte interviews. Twee tafels vullen zich in die lichte kamer aan de voorzijde, dus om te schrijven wijk ik uit naar de eettafel beneden. Ik zie opeens de eerste scène  van het boek voor me, tik in één lange middag zo’n duizend woorden en krijg acuut last van pijn en kramp in m’n schouder en m’n nek. Oud zeer. Maar weken, maanden pijn, dat is geen wenkend perspectief.
Ik denk aan de eerdere adviezen die een fysiotherapeut me heeft gegeven. Houd alles soepel.
Ik verplaats m’n laptop naar het keukenblad. Dat werkt. Zo werk ik nog steeds. Staand. Als een klassieke klerk achter een lessenaar.
Maar als mijn gedachten niet de juiste woorden kunnen vinden, loop ik wel naar boven. Dan kijk ik naar de boom en naar de kerktoren, waar slechtvalken broeden. En dan is de verleiding groot om toch daar te gaan werken.

 

 

Foto © Bob Bronshoff

Mei 2017: Josha Zwaan

Mijn hoofd zit vol woorden. Zo lang ik mij kan herinneren is de werkelijkheid verweven met verhalen die zich parallel in mijn hoofd afspelen. Rommelend met mijn poppen, onder de verplichte afwasbeurt, tijdens de verveling in de schoolbanken, voor het slapen gaan: hele geschiedenissen speelden zich af achter mijn geloken of gesloten ogen. Ik schreef ze nooit op. Ik onthield ze gewoon.
Zo rond mijn tiende begon ik met schrijven. Verhalen, dagboeken, gedichten, een heel kinderboek. Na een verhuizing op mijn dertiende kwamen daar de brieven bij, eindeloos veel dikke brieven, naar vriendinnen en mijn eerste vriendje, in dat verre West-Friesland waar ik zo’n heimwee naar had.
Als ik niet schreef was ik aan het lezen. In de bibliotheek was al snel niets meer te vinden dat ik niet al gelezen had, dus las ik alle boeken die in huis te vinden waren. Mijn moeders Indische jeugdboeken, de theologieboeken van mijn vader, de sciencefictionboeken van mijn broer, de romans van Jan den Hartog en Konsalik die mijn moeder las. Hermans en Reve waren in ons huis niet te vinden.
Als tiener las ik het hele oeuvre van Simone de Beauvoir. Zij was mijn grote voorbeeld. Zo zou ik gaan leven, zo zou ik gaan schrijven.

Hoewel ik altijd schreef, voor studentenbladen, personeelsbladen, voor mijzelf, slokte het leven mij decennialang op. Een man, vier kinderen, een baan, er was altijd zo veel te doen.  Bezigheden die ruimte boden voor de vertelsels in mijn hoofd, maar niet voor het opschrijven daarvan. Hella Haasse vertelt in Het dieptelood van de herinnering over haar worsteling met dit fenomeen in de periode dat ze moeder en huisvrouw was. ‘Hoe het inzicht, dat al deze dingen noodzakelijk zijn en goed gebeuren moeten, te rijmen met het verlangen naar een andere, wijdere horizon, hoe veilig te laveren tussen Scylla en Charybdis: dagdromen en neurose? [...] De gedachte aan dat boek dat ik zou willen schrijven als ik kón, blijft mij bij tijdens het bedden opmaken.’

Ik werd veertig, ik ging serieus aan de slag met schrijven, op mijn zesenveertigste verscheen mijn debuut Parnassia, ik ben geworden wat ik altijd al was: schrijver.

 

 

 

Josha Zwaan

Foto © Marja Poldermans

Parnassia Dieptelood

Maart 2017: Hanz Mirck

Bij Boekhandel Van Someren & Ten Bosch (waar ik werkte van 1998 tot 2008) is de belangstelling voor literatuur die ik als jonge neerlandicus ontwikkelde, uitgegroeid tot een soort gulzigheid. Honger. Altijd op zoek naar een nieuwe stem, een nieuw geluid.  Taal is voor mij wat bloed moet zijn voor een cardioloog. Het is een bestaansvoorwaarde, iets wat als vanzelf lijkt te stromen, maar er is niets vanzelfsprekends aan.

Steeds kijk ik niet alleen naar wát er gezegd wordt, maar ook naar hoe. Dat moet in balans zijn. ‘Style is the answer to everything,’ zei Bukowski. Daarom blader ik door de boeken van mijn helden: Shakespeare, Goethe, Dante, Bijbel, Gerhardt, Stitou, Hanlo, Wigman. Waarom werkt het wat ze schrijven, waarom is het zo urgent, zo waar? En vooral: welke toon slaan ze aan?     
Als stadsdichter ben je de antenne van de stad. De wichelroede. Je tast naar wat er speelt, wat waar is, wat je lezers beweegt. Als in het donker. Het grappige is dat ik al jaren recenseer, redigeer, lesgeef over schrijven. Maar als ik door mijn nieuwste bundel blader, weet ik niet hoe ik het voor elkaar kreeg dat het er zo staat.     
Natuurlijk begint het met kijken. En bedenken in welke vorm je daar iets over kunt zeggen. Maar een idee kun je verknallen. En dan komt het erop aan om moed te verzamelen, in de stemming te komen. Daar helpt muziek me bij, dus ben ik (ook) altijd op zoek naar nieuwe muziek.
Zo stuitte ik op de cd van de saxofonist die David Bowie op zijn magistrale zwanenzang begeleidde: Donny McCaslin. Zijn stukken bouwen heel langzaam op naar een climax, voeren me mee, ik hoor hoe de solo inzet, steeds geconcentreerder, heftiger, gedurfder, reikend naar een nog hogere noot, soms bijna vals, net nog iets verder op het puntje van zijn tenen, bijna, en dan net die onbereikbare noot raken. Onderweg alles vergeten wat je geleerd hebt, zelfs dat je speelt voor David Bowie. En dan verbaasd zijn dat je zover gekomen bent.
Zo hoop ik op mijn beste momenten ook te schrijven. Alsof ik al die duizenden gedichten die ik las vergeten was, terwijl ze ergens in mij meeklonken.

 

 

 

Hanz Mirck Ws

Foto © Rianne Heimgartner

Driesteden

November 2016: Annegreet van Bergen

Was het 90 om 10? 99 om 1? 80 om 20? De exacte getallen ben ik kwijt. Maar ik moet vaak aan mijn vader denken wanneer ik zit te schrijven. Die hield me altijd voor dat iets moois maken een kwestie is van een (mij ontschoten) laag percentage ‘inspiratie’ en een (tot honderd optellend) hoog percentage ‘transpiratie’. Ik moet hem postuum gelijk geven: een idee ontwikkelen gebeurt in een fractie van de tijd die ik nodig heb om dat idee om te zetten in een boekentekst die naar mijn zin is. Maar zo moeizaam als mijn vader het voorstelde is het ook weer niet. Tenminste, ik heb bijna nooit het idee dat ik in een zweetkamertje zit wanneer ik schrijf.

Schrijven is voor mij een ambachtelijke en tijdrovende bezigheid. Misschien roept ‘ambachtelijk’ associaties op met eeuwenoude, van generatie op generatie overgeleverde technieken. Zo bedoel ik het niet. Ik ben geen mandenvlechter die werkt met dezelfde materialen en gereedschappen als zijn verre voorouders. Ik schrijf met ganzenveer noch typemachine. Ik heb een tekstverwerker.
Ik was totaal verrast - gekker moet het niet worden – door het berichtje dat in 1985 op de voorpagina van De Volkskrant stond: Nobelprijswinnaar Gabriel García Márquez had zijn nieuwste roman, Liefde in tijden van cholera, op een tekstverwerker geschreven! Toen vond ik Márquez een duivelskunstenaar, dertig jaar later vind ik niets duivels of kunstigs meer aan een tekstverwerker. Iedereen werkt ermee. Ik ook.
En daar ben ik maar wat blij om. Nadat ik de research heb gedaan (schriftelijke bronnen raadplegen, levende mensen interviewen) ga ik schrijven. Die eerste teksten lijken in het meest gunstige geval meer op een procesverbaal dan op een verhaal. Dat zie ik pas in tweede instantie. Wanneer ik iets schrijf, verkeer ik in de oprechte veronderstelling dat het publicabel is. Dat valt bij herlezing meestal vies tegen. Was ik dronken? Hoe krijg je anders zulk onsamenhangend gebrabbel uit je pen (herstel: op het scherm)?
Dan begint het grote schaven, schuren, plamuren en schrappen. Dit proces van herschikken, andere woorden zoeken, woordvolgorde veranderen, lange uiteenzettingen samenvatten, opbouw omgooien noem ik de ambachtelijke kant van schrijven. Ik vind dat leuk werk, ik geniet ervan vage ideeën langzaam maar zeker te veranderen in voor anderen begrijpelijke, en hopelijk aantrekkelijke teksten.
In pyjama zit ik ’s morgens achter mijn computer. Gesterkt door de cappuccino’s die P. mij brengt, schrijf ik tot 12 uur door. Behalve op zondag, doe ik dat vrijwel iedere ochtend. Wanneer ik dat vertel, zwaaien mensen me soms lof toe vanwege ‘zoveel discipline’. Zo voelt het niet. Voor mij is het een gewoonte. Een fijne gewoonte bovendien, want ik vind het heerlijk het grootste deel van mijn tijd met taal te kunnen spelen.

 

 

Annegreet Van Bergen Ingrid Zieverink 1

 Foto © Ingrid Zieverink

September 2016: H.C. ten Berge

Wat een schrijverschap in standhoudt en versterkt

Een aanmoediging voor grafomanen van de toekomst

Schreef de dichter Ezra Pound ooit A Few Don'ts, een waarschuwende notitie voor aankomende schrijvers en dichters, het leek mij aannemelijk dat een handvol suggesties ter aanmoediging ook gunstig zou kunnen werken. Onderstaande lijst van punten – willekeurig gerangschikt – wordt daarbij als een flexibel handvest gehanteerd.

* Nieuwsgierigheid en geestdrift (die op de grens van hartstocht verkeert)

* Tegelijk ook geduld en een hang naar precisie

* Een open, nomadische geest ("l'esprit nomade")

* Een langdurige eenzaamheid kunnen verdragen zolang die een voedende kracht heeft.

* Tot de rand van de uitputting durven gaan; dus opgaan in het werk van de verbeelding, in datgene wat je onderhanden hebt.

* Een ongevoeligheid voor modieuze en populistische tendenties nastreven en praktiseren. Makkelijk gezegd, moeilijk gedaan.

* Werp al het vuilnis van je af; onwerkzame invloeden tot een minimum beperken; het probleem, de pressie en verleiding van 'de media' een plaats geven.

* Bij dit alles de wereld toch in het oog houden en volgen. Laat de chaos in de wereld jouw geest niet overnemen & bezetten. Observeer, interpreteer, kerf een beeld in taal dat beklijft.

* Een kritisch taalbewustzijn als een absolute voorwaarde. Geen wollig, slap of troebel woordgebruik: troebele taal baart troebele gedachten.

* De taal, dus de cultuur, in standhouden, uitbreiden en – waar nodig – verdedigen.

* Het werk organisch laten groeien door gevoel en verstand in evenwicht te brengen; het sentiment per definitie wantrouwen.

* Spiegel je aan voorgangers en de traditie. Leer en bewonder, maar doe het zelf anders. 'Make it new!'

* Bescherm uit zelfbehoud een plek in jouw geest waar niemand kan komen.

* Een stevige ruggegraat is onontbeerlijk om een leven lang mentaal zowel rechtop alsook oprecht te blijven. Humor en zelfspot helpen daarbij.

* Voor de poëzie: wees je bewust van ritme, ruimte, klank en adem. Beperk je tot compacte en geladen zinnen, beelden, taalfiguren.

* Voor het proza: een brede 'symfonische' beweging, minder compact maar eveneens uitwaaierend, ruimtelijk, geladen met betekenis. Geen oeverloze uitgebreidheid.

* Heb oog voor nuances en oor voor de klank. Oefen de tong voor de smaak van de woorden. De taal is jouw instrument: koester, verken en bespeel het. Volg je temperament.

* Lees en vertaal 'vreemde' dichters uit andere landen en/of culturen. Verbreed je blik op de wereld.

* Begin en begin steeds opnieuw. Het geschrevene is je beloning.

 

 

Hc Ten Berge Ws

Foto © Pamela McAdam

Splendor

 

Mei 2016: Mariëtte Haveman

De column van een Zutphense schrijver komt dit keer van Mariëtte Haveman, hoofdredacteur van het tijdschrift Kunstschrift en auteur van essays, artikelen en boeken over kunst. Zij schreef ook drie romans, de laatste, uit 2015, is Het huis achter de wilgen.

Verhalen (m/v)

'Is het belangrijk dat uw verhalen zich afspelen vanuit het perspectief van een vrouw?', vraagt een interviewer aan Alice Munro, na de uitreiking van de Nobelprijs in 2013. De reactie is een shrug, een soort schouderophalen maar neutraler. Dan volgt toch een antwoord: in haar geboortestreek Ontario waren het altijd vrouwen die verhalen lazen en vertelden. Dat was gewoon zo.
En het is waar, vrouwen bepalen het perspectief in de verhalen van Munro. Daarbij is het onderscheid m/v wel degelijk een expliciet thema in haar werk. De meest memorabele en snijdende passages in haar boeken gaan over 'typisch vrouwelijk' en 'typisch mannelijk' gedrag, of denken.
'Always remember that when a man goes out of the room, he leaves everything in it behind. When a woman goes out she carries everything that happened in the room along with her.'
Als dit helemaal waar was, dan waren alle schrijvers vrouw; immers het minste wat je moet kunnen om een roman te schrijven, is gebeurtenissen meenemen en ze bewaren voor een geschikt moment. Maar het is wel een soort van waarheid, zoals ook de variant die ze ergens anders schreef, dat over het algemeen mannen in hun huizen wonen en dat vrouwen hun huizen zijn.
Munro's werk zit vol van die wijsheden, kleine en grote, tamelijk ware en heel erg ware. En altijd zet ze je aan het denken. Klopt dat? En als het klopt, hoe zit dat dan bij mij?
Als kind las ik het liefst verhalen met een heldin. Dat is nu niet meer zo, ik kan erg genieten van een boek met mannelijke hoofdpersonen.  Mijn grote favoriet na Tolstoj's Oorlog en vrede is Leven en lot van Vasili Grossman. Allebei boeken, zo stampvol mannen, vrouwen en kinderen in alle soorten en maten dat er achterin een soort telefoonboek zit waarin je ze terug kunt vinden.
En toch. Hoewel ik graag en met grote nieuwsgierigheid lees over wat er omgaat in de levens en hoofden van mannen, is een vrouwelijk personage nog steeds nabijer, zij het daardoor ook vaak ongemakkelijker, pijnlijker. Over hen lees ik met minder verbazing en meer inzicht, begrip, schaamte. Ik kan beter beoordelen of het interessant is wat de schrijver hen laat doen, of gewoon raar. Of het klopt, anders gezegd, binnen de wetten van de literatuur waar dingen extreem uit de hand mogen lopen, zo lang ze geloofwaardig zijn.
Ooit had ik een discussie met een criticus, die ging over de vraag of sympathie, de mate waarin de lezer een band kan aangaan met de personages, een factor van betekenis was in de literatuur. Hij vond van niet. Ik vind van wel. Hoe maf of minderwaardig of grillig een personage zich ook gedraagt, ik wil me als lezer en als schrijver in hem of haar kunnen verplaatsen. Die verplaatsbaarheid is voor mij ook een toetssteen; zeker niet de enige, maar wel een belangrijke, voor hoe goed een boek gelukt is.
En natuurlijk helpt het als het perspectief van de auteur een beetje met het mijne overeenkomt; ook al is haar hoofdpersoon een man. Vandaar dat ik relatief veel boeken van vrouwelijke schrijvers lees. Niet uit overtuiging, het is gewoon zo.

 

 

 

Mariëtte

Grossman Leven Lot

Oorlogvrede

Huiswilgen

Maart 2016: Bas Steman

In de serie columns van Zutphense schrijvers is het woord deze keer aan schrijver en programmamaker Bas Steman. Met Ramses Shaffy. Naakt in de orkaan introduceerde hij de 'belevingsbiografie', een combinatie van roman en biografie. In 2013 kwam zijn eerste roman uit, De Aankomst, over liefde, verwachtingen, teleurstellingen en wielrennen. Het boek werd uitgeroepen tot 'wielerroman van het jaar'.

Het is voor mij niet voor te stellen, een leven zonder verhalen, zonder de magie van de verbeelding. Onder mijn hersenpan is het leven vaak voller, interessanter, stouter en impulsiever. Daar, ‘in het diepst van mijn gedachten’, bereis ik de mooiste landen, win ik wielerwedstrijden, vind ik bloemen, duik ik onder en dans ik, dans ik…, dans ik, met jou of jou.

Als kind al woonde ik in schriftjes, die ik vol tekende. Hardop gaf ik commentaar op wat er onder mijn handen ontstond. De tekeningen bereikten zelden het stadium van ‘af’. Ik sprak sneller dan mijn potloden schetsten. Ik leefde in de boeken die ik las en in verhalen die ik verzon. Op school vertelde ik dat mijn oom naar de maan was geweest, en dat ik van de zomer waarschijnlijk met hem mee zou gaan. De Duitse herder van mijn oma was in mijn verhalen een poema. Zo ging dat, toen.

Het was tijdens een les op de middelbare school. Of er een licht aanging dat me van binnenuit bescheen. Ik wist, ik voelde. Ik was een schrijver zonder boek. Het zou ook nog even duren.

Alleen maar schrijven? Ik twijfel ik of daar geschikt voor ben. Misschien ooit. Mijn leven is nu soms heerlijk hectisch en mijn werkzaamheden zijn grillig. Een opnamedag voor televisie vreet energie, die ik weliswaar niet in het schrijven stop, maar waarvan ik enorm kan genieten. Het is toch ook de vrijheid om samen met een fijn team, een verhaal te filmen en te vertellen.

Op dit moment werk ik aan mijn vierde boek, een roman. Ik blok dagen om dieper in de waanzin van het verhaal te kunnen afdalen. Lezen durf ik in zo’n periode niet zo goed, omdat ik me niet te veel wil laten beïnvloeden door de taal van anderen.

Een uitzondering. Ik lees alles mee met ‘Nescio’, de ‘nieuwelezersleesclub’ die ik samen met zes jongens (14-16 jaar) ben gestart ter voorbereiding op het vwo-examen. Een wonderlijke ervaring, boeken lezen met jongens voor wie de literaire wereld een klein beetje opengaat. De looptijd van verhalen laat zich amper overzien. Maar wat zou het fijn zijn als een van die gastjes, op een onverwacht moment, zijn borst voelt gloeien, beseft hoe rijk zijn leven geworden is door alles wat hij heeft meegemaakt door te lezen. Noem het idealisme. Dat is het ook.

 

 

Bas Steman1

Aankomst

December 2015: Jolande Withuis

Sociologe Jolande Withuis, onder meer schrijfster van een immense hoeveelheid artikelen in kranten en tijdschriften is bekend van Zomergasten, en auteur van zeven boeken. Haar bekendste is het tweemaal bekroonde Weest manlijk, zijt sterk. Pim Boellaard 1903-2001. Het leven van een verzetsheld.

Schrijven en lezen gaan niet samen, althans voor mij en Harry Mulisch niet. Wie denkt dat schrijvers altijd wel een deeltje van de Russische bibliotheek hebben open liggen, vergist zich. Zolang ik aan een boek werk, en dat is meestal, is serieuze literatuur taboe. Natuurlijk neus ik de hele dag in boeken die van belang zijn voor mijn Juliana-biografie, en ik lees ook zoals ik tv-series kijk: ter ontspanning. Om even onder te duiken in een andere wereld. Voor zulk escapisme ben ik dol op detectives, mits niet te bloederig en goed geschreven.

Mijn favoriete leesmoment is voor het slapengaan. Verder heb ik geen tijd, vind ik. Dan moet het boek me in slaap helpen, dus het mag niet zo spannend zijn dat ik niet kan ophouden, en niet zo naar dat ik ervan wakker lig.

Liefst ga ik naar bed met de eigen oogst van de dag. Niets is fijner dan een kussen in de rug en in mijn handen een stapeltje geprinte blaadjes en mijn vulpen. Schrappen, verbeteren, kringen en pijlen zetten, en precies weten waarmee ik morgenvroeg door moet. Ik kan dan nauwelijks wachten tot het zes uur is en ik op mag.

Voor het geval ik geen eigen oogst heb, liggen op mijn nachtkastje de rozencatalogus van De Wilde, de vaste-plantenlijst van kwekerij De Border en de columns van onze briljant formulerende tuinbuurman uit Dieren, Romke van de Kaa. Allemaal zowel rustgevend als inspirerend. Ik val heel goed in slaap als ik me probeer voor de geest te halen waar ik op onze prachtige Agnietenhof nog een bepaalde roos zou kunnen plaatsen.

Van mijn buurman Ad ten Bosch, schrijver en uitgever en als ex-boekverkoper ook in deze nieuwsbrief aanwezig, kreeg ik voor mijn zestigste verjaardag (en voor mijn opvoeding) zo’n tien centimeter Ida Gerhardt. Beeldschone uitgaven, waaronder haar brieven, gebundeld onder de titel Courage, die nu al zes jaar op mijn slaapkamer toeven, want ook brieven zijn heerlijke bedlectuur. Gerhardt aan de Almense schilderes Jeanne Bieruma Oosting citeer ik graag: ‘Ik kom óm in het werk en hoop van u hetzelfde. Werkze!’

 

 

 

 Withuis Jolande Gon Buurman Aeg Voor Bb En Pers Tot 19 10 201 Verwilderen

foto © Gon Buurman

Oktober 2015: Gerdien Verschoor

Gerdien Verschoor is een veelzijdige auteur, onder (veel) meer van kunsthistorische artikelen. Haar meest recente roman is De kop van Oskar Wronski, over de liefde tussen een Nederlandse beeldhouwster en een Poolse schilder.

'Wat doe je liever: lezen of schrijven?' Sinds ik niet alleen boeken lees, maar ze ook schrijf, wordt die vraag me nog al eens gesteld. Lezen of schrijven? Het is een onmogelijke keuze: het een kan zonder het ander niet bestaan. Sterker nog: er zijn vele factoren die mijn schrijverschap hebben beïnvloed – de nabijheid van een goede boekhandel is er een van. En nu wilt u natuurlijk een voorbeeld.

Nooit vergeet ik de dag dat ik bij boekhandel Van Someren aan het snuffelen was voor een boek voor op reis. Licht, compact, in één adem uit te lezen. 'Probeer deze', zei Jaap Deen, en hij drukte me Last Night van James Salter in de hand. 'Echt iets voor jou.' En dat was ook zo. Al wist Jaap niet dat ik aan mijn eerste roman werkte, en dat Last Night precies het boek was dat ik op dat moment nodig had. Want Salter bleek een meester in dat waar ik naar zocht. Met enkele penseelstreken kon hij zijn personages haarscherp neerzetten, met een enkel woord wist hij een bevreemdende sfeer te scheppen, met een minimum aan middelen kon hij complexe menselijke relaties uit de doeken doen. Alles wat ik ook zou willen kunnen.          

Na twee romans werk ik nu aan een non-fictieboek en dat is natuurlijk net iets voor Ine Soepnel, die in haar vorige leven één ochtend mijn redacteur was. 'Probeer deze', zegt ze, als ik verdwaal tussen de boeken in haar winkel. 'Echt iets voor jou.' En dat is zo. Dit boek, het is precies wat ik zocht.

 

 

Gerdiengriffioen 034 Last Night

foto © Jan Griffioen

Waarom Libris
Boekbestellingen worden t/m 22 december 2017 GRATIS thuisbezorgd.
Kies uit meer dan een miljoen artikelen, waaronder ruim 25.000 Nederlandse ebooks.
Thuis bestellen en bezorgen of afhalen en betalen in de boekhandel.
Ruim 85.000 boeken op werkdagen voor 23.00 besteld, de volgende dag bezorgd
Volg uw bestelling via Track & Trace van PostNL
Bijna 100 aangesloten kwaliteitsboekhandels.
pro-mbookslibr3 : libris