Rij: augustus 2017

Augustus 2017: Het Wijckeler Hop van Tsjêbbe Hettinga

Tsjêbbe Hettinga: lezen, luisteren en zien

Een lied in een voor mij vreemde taal kan me diep raken en ik ben vast niet de enige. Je voelt wel aan waar het over gaat, kennelijk heb je daar de taal niet altijd voor nodig. Bij poëzie is dat soms ook zo. De Friese dichter Tsjêbbe Hettinga (1949 – 2013) schreef uitsluitend in zijn moedertaal, maar maakte in binnen- en buitenland grote indruk met zijn voordrachten. Het deed voor de meesten niet ter zake of zij Fries verstonden: hij hypnotiseerde het publiek met zijn stem, zijn lichaamstaal, zijn ritmiek met lang aangehouden klinkers, zijn alliteraties, assonanties en binnenrijm. Mooie voorbeelden zijn te zien op de site over hem.
Ik vind het intrigerend dat lezen en luisteren zulke verschillende activiteiten zijn. Op de site staat ‘Het Wijckeler Hop’ (dat is de naam van een deel van het Slotermeer). Je kunt zowel naar zijn voordracht luisteren als het gedicht in het Fries en het Nederlands lezen. (Laat u zich bij het luisteren niet misleiden door de lange pauzes tussen de tekstgedeelten, het gedicht heeft drie delen).

Ik geniet nog steeds van zijn voordracht van ‘Het Wijckeler Hop’, al heb ik hem al verschillende keren gehoord. En ik kan het gedicht ook blijven lezen. De manier waarop hij de onherroepelijke voortgang van de tijd verbeeldt en tegelijkertijd wijst op de dingen die altijd hetzelfde blijven en waarin je de vergeefse wens zou kunnen zien de tijd stil te zetten of misschien zelfs terug te draaien, raakt me:

Tijd, in de vorm van kieviten die als ik
    En andere dieren geen raad weten
Met de stilte op deze zoele middag,
    Vliegt, en het geluid van mannetje noch
Wijfje is veranderd sinds het kind holde,
    Naar wat in ons onbewegelijk is,
( … )
Eeuwigheid: een snotjongen met een jampot.

En tussendoor het leven, het onvervulbare verlangen, de liefde. De eerste regels zijn onvergetelijk: ‘En weer op de vlucht voor de lekkende kraan / Van het verdriet, met een dorst in de keel / Van iets dat nooit te verslaan zal zijn.’  En aan het slot de subtiele omkering die de eeuwige cyclus van het ondraaglijke verlangen en de vlucht ervoor rondmaakt: ‘Een beeld van een vrouw steekt de kop op, en dorst. / Driftig geeft het hart de maag zijn benen, / En weer op de vlucht naar de lekkende kraan / Van het vertier, valt, koel, de eerste drup.’

Tsjêbbe Hettinga was een gevoelig man. Maar hij was niet iemand die zijn emoties rechtstreeks op papier gooide. Hij wilde ze overbrengen op zijn lezers en dan moet je precies weten wat je doet. Daar heb je een helder hoofd en vakmanschap voor nodig – ik hoop dat ik dat in het bovenstaande heb laten zien. Maar het is geen maakwerk: sterke emoties, ideeën en flarden van regels zullen aan de gedichten ten grondslag liggen, dat voel je.

(Deze bespreking is gebaseerd op mijn recensie van Het vaderpaard / It faderpaard, de verzamelde gedichten van Tsjêbbe Hettinga.

Eerder besproken

 

 

 

 

Hans Puper Ws

foto © Jacinthe Sykora

 

Mei 2017: Het volmaakte gedicht bestaat niet

De Amerikaanse dichter Marianne Moore (1887 – 1972) schreef in 1967 het gedicht ‘Poetry’. Het bestaat uit vier regels:

I, too, dislike it.
    Reading it, however, with a perfect
        contempt for it, one discovers in
it, after all, a place for the genuine.

In de vertaling van Arthur Wevers:

Ook ik houd er niet van.
   Wanneer men poëzie leest echter, met een
       volkomen minachting, ontdekt men er,
    tenslotte, toch ruimte voor het authentieke in.

Is dit niet wat eigenaardig voor een dichter? Volgens de, eveneens Amerikaanse, dichter en essayist Ben Lerner niet: hij schreef een boeiend essay met de uitdagende titel Waarom we poëzie haten. Volgens hem schiet ieder gedicht tekort en iedere goede dichter (en lezer) beseft dit. Het volmaakte gedicht is onbestaanbaar; wat je ten diepste van poëzie verlangt valt in taal niet uit te drukken. Wel kun je een idee krijgen van wat een dichter voor ogen stond door het feitelijke gedicht zeer aandachtig of voor mijn part ‘genadeloos kritisch’ te lezen. Het woord ‘minachting’ zou ik niet snel gebruiken, al denk ik wel te begrijpen waarom Moore dat doet: alleen als je zonder enig mededogen zoekt naar wat niet is gelukt, kun je een idee krijgen van wat de dichter met zijn gebrekkige taalgereedschap had willen maken.
Juist goede dichters lijden aan hun onmacht. Soms zo erg, dat ze stoppen met dichten. Een bekend voorbeeld is Rimbaud (1854 – 1891), die op zijn eenentwintigste de literatuur vaarwel zei, vervolgens kort dienst nam in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger en na allerlei omzwervingen handelaar in ivoor, dierenhuiden en wapens werd in Abessinië, het voormalige Keizerrijk Ethiopië.

Niet iedereen stopt ermee, gelukkig. Nijhoff nam in zijn bundel Nieuwe gedichten (1934) het bekende gedicht ‘Het kind en ik’ op. Hij snijdt hetzelfde probleem aan, maar Lerner zou in dit geval zeggen dat Nijhoff ‘een tactische zege’ heeft behaald op zijn onmacht. Een tijdelijke weliswaar, maar toch een zege. In het geschreven en dus onvolmaakte gedicht heeft hij het onhaalbare ideale gedicht toch voelbaar gemaakt:

Het kind en ik

Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos.
 
Er steeg licht op van beneden
uit de zwarte spiegelgrond.
Ik zag een tuin onbetreden
en een kind dat daar stond.
 
Het stond aan zijn schrijftafel
te schrijven op een lei.
Het woord onder de griffel
herkende ik, was van mij.
 
Maar toen heeft het geschreven,
zonder haast en zonder schroom,
al wat ik van mijn leven
nog ooit te schrijven droom.
 
En telkens als ik even
knikte dat ik het wist,
liet hij het water beven
en het werd uitgewist.

Ik denk dat Moore met haar stelling over minachtend lezen een hyperbool gebruikte. De soep wordt niet zo heet gegeten als zij wordt opgediend, maar met ‘Poetry’ zet Marianne Moore dichters en lezers wel aan het denken.

***
Mijn recensie in Meander Magazine over het essay Waarom we poëzie haten van Ben Lerner was het uitgangspunt van deze bespreking. Naast het tekort van taal gaat hij in op de vraag of poëzie universeel kan zijn en of poëzie maatschappelijke veranderingen in gang kan zetten.

 

 

 

 

Hans Puper Ws

foto © Jacinthe Sykora

 

Maart 2017: Orfisch III van Anneke Brassinga

In Een leeuwerik boven een weiland, een bloemlezing van K. Schippers uit eigen werk, staan vier ultrakorte gedichten, elk op een eigen pagina: ‘zwart bedekt wit’, ‘zwart bedekt’, ‘bedekt wit’ en ‘bedekt’. Ze staan alle vier links bovenaan. Het vele wit valt op, het wekt verwondering: Schippers maakt een wit vel papier leger door het een klein beetje te vullen. Zonder het wit had hij dat niet kunnen laten zien: het is dus een onderdeel van het gedicht.

Het gedicht dat aan deze reeks vooraf gaat, heet ‘Wit’. De laatste regel luidt: ‘Wit is een oude meester’.

Anneke Brassinga kent die kracht van het wit. In 2014 verscheen haar bundel Het wederkerige. Daarin staat een cyclus van vier gedichten onder de titel ‘Orfisch’. Dit is het derde:

Zoals aan de zwevende kreet van de buizerd
voor wie luistert op het veld,
zo is aan deze wevende stilte

afstand af te meten –
van ongerepte aard. Het regiment,
bij dageraad vertrokken,

het heeft de horizon beklommen
en is, met fluiten en trompetten,
daarachter afgedaald

naar velden van vergetelheid,
geen klank
komt ervandaan.

En al mijn leven
zal ik wachten
of daar mij roept

wat zwijgt.

We kennen de mythe van Orpheus en Eurydice. Gaat het ook in dit gedicht om een verloren geliefde? Er is in ieder geval sprake van twee gescheiden werelden en stilte speelt een hoofdrol: je hoort geen enkele klank uit de velden van vergetelheid. Er is sprake van een ‘wevende stilte’ (prachtig!), een stilte die zich uitbreidt. Een uitbreiding in tijd? Dat kan: hoe langer het is geleden dat een geliefde stierf, hoe stiller het wordt. De afstand wordt groter.
Na de woorden ‘wevende stilte’ volgt een witregel: een verbeelding van die stilte. Iets dergelijks zie je na ‘afgedaald’. Daarnaast bevatten de opeenvolgende strofen steeds minder woorden, er komt meer wit: het wordt steeds stiller.
De laatste twee strofen vind ik meesterlijk. In de eerste plaats door de paradox ‘roept’/ ‘zwijgt’;  in de tweede plaats door de witregel na ‘roept’: de ‘ik’ luistert, maar hoort niets. En dan: ‘wat zwijgt’, omgeven door heel veel wit.
Stel dat Brassinga van ‘Orfisch III’ een prozagedicht had gemaakt, dan zou je toch een hoop missen:

Zoals aan de zwevende kreet van de buizerd voor wie luistert op het veld, zo is aan deze wevende stilte afstand af te meten – van ongerepte aard. Het regiment, bij dageraad vertrokken, het heeft de horizon beklommen en is, met fluiten en trompetten, daarachter afgedaald naar velden van vergetelheid, geen klank komt ervandaan. En al mijn leven zal ik wachten of daar mij roept wat zwijgt.

Wit is een oude meester.

***
Anneke Brassinga (2014). Het wederkerige. De Bezige Bij, 72 blz.
K. Schippers (1996). Een leeuwerik boven een weiland. Querido, 276 blz. Tweede,vermeerderde druk.
In 2014 schreef ik een bespreking over ‘Wit’ in de reeks ‘Klassiekers’ van Meander Magazine. De bovenstaande is daarop gebaseerd.

 

 

 

 Wederkerige

 

November 2016: Eensklaps roeken van H.C. ten Berge

Over de schrijftips van H.C. ten Berge


Dichter H.C. ten Berge schreef in de Nieuwsbrief van september de column 'Wat een schrijverschap in stand houdt en versterkt'.  Hij geeft daarin een aantal schrijftips waaraan hij zich uiteraard ook zelf houdt.

Een van die tips: 'Een kritisch taalbewustzijn [is] een absolute voorwaarde. Geen wollig, slap of troebel woordgebruik: troebele taal baart troebele gedachten.' In het gedicht 'VIII / Afgebroken sermoen' uit de verzamelbundel Cantus Firmus (p. 222) zegt hij het zo:

Wie zijn denkbeelden in morsig taalvel steekt,
tuimelt in het graf van de gefnuikte zinnen.

Met deze regels is dat niet gebeurd, integendeel. Ze zijn een demonstratie van een andere tip: 'wees je bewust van ritme, ruimte, klank en adem. Beperk je tot compacte en geladen zinnen, beelden, taalfiguren.'
Een paar voorbeelden. 'Morsig taalvel': dat houd je tussen duim en wijsvinger ver van je af. Heeft u weleens verkiezingsprogramma's gelezen? In negen van de tien gevallen hebben die een grondige wasbeurt nodig.
Ten Berge schrijft 'tuimelt' in plaats van 'valt' of 'belandt'. 'Tuimelen' zie je voor je en in mijn beleving schept dat ruimte. Bovendien wordt het ritme speelser: lees de regels maar eens hardop. En neem het woord 'gefnuikte'. Je hoort of leest dat zelden, wel 'fnuikend':  een fnuikende ontwikkeling bijvoorbeeld. Dat woord gebruik je als iets gaande is, maar 'gefnuikt' is voorbij, dood. Mooi. En tot slot de klanken: de 't', 'st' en 't' in taalvel , steekt en tuimelt, het binnenrijm in tuimelt en gefnuikt, de 'g' en 'f' in graf en gefnuikt.
Prachtige regels.

Nog een voorbeeld van zulke geladen regels vind je in een genadeloze, onvergetelijke typering, die nog sterker wordt als je weet dat sneeuw voor Ten Berge vaak een beeld is van schoonheid, zuiverheid, tijdloosheid en in het laatste gedicht van zijn nieuwe bundel Splendor ook van geluk. Onderstaand citaat komt uit 'Decembernotities', Cantus Firmus, p.89.

Sneeuw werpt een smet op de kraag van de hebgrage
dikhals met haast; rijk maar berooid

blaast hij smeltzieke schoonheid van zijn revers.


Ik ga op deze regels niet zo diep in als op de vorige, ik wil niet in herhalingen vervallen. Wel wil ik wijzen op de tegenstelling tussen 'smet' en 'smeltzieke schoonheid', het rijm en halfrijm in 'de kraag van de hebgrage / dikhals met haast' – let ook op de 'h's – en de woordgroep 'rijk maar berooid'. Dat is een omkering van veelgebruikte formuleringen als 'arm maar gelukkig'. Dat zijn inmiddels clichés geworden en juist daardoor valt die omkering op.

Het is herfst en daarom het gedicht 'Eensklaps roeken'. Als u het leest, liefst een paar keer en met beide tips in uw achterhoofd, dan ziet u hoe mooi het is:

Eensklaps roeken zwermend boven de rivier.
Opgewonden, buiten zinnen,
dol van wind en grauwe wolken buitelen ze
om de hoge brug.
Acrobaten in de lucht, opgezweept
en roekeloos
door een geheime kracht
waaien ze in duikvlucht telkens weer omhoog,
de vleugelflappen rafelig
als een afgedragen doodshemd
wapperend aan een waslijn op het land.
Honderd en meer roeken wervelen aan de vroege avondhemel,
dronken en euforisch
in de eerste najaarsstorm –

(In: Cantus Firmus, p. 315)

De oude brug en de rivier komen vaker voor in zijn gedichten. Loop eens naar de Kuiperstraat, dan kunt u 'IJsselbrug in de ochtend' op de gevel zien staan.

Eerder besproken

 

 

 

 

Cantusfirmus

September 2016: Geluk heeft een adres van Menno Wigman

GELUK HEEFT EEN ADRES  

De zon schuift voor de zon, A day in bed,
hoe heet dat boek ook weer? Niet denken nu,
rust uit. Je hebt vandaag geen mens beschaamd,
    laat staan jezelf. Rust uit, het gaat je best:
       geluk heeft een adres.

Opeens, heel vreemd, een woensdag van oud licht,
je moet naar school en 's ochtends wrijft een hand
met spuug de slaap uit je ogen, de rij,
    de rekenles en daarna water, wit
        en heilig zwem je weg.

De zon schuift voor de zon. Het is een dag
van koffie, kamerjassen en geluk
om niks. Het water kust de kaden schoon.
    Een klas loopt door het licht. Toch mooi dat dit
        gedicht niet nodig is.

Menno Wigman

Uit: Slordig met geluk. Prometheus, 2016

Een goed (of mooi, interessant, ontroerend) gedicht nodigt uit tot herlezing en vaak zie je dan steeds andere dingen. Neem 'Geluk heeft een adres' van Menno Wigman. Bij eerste lezing lijkt dit een gedicht te zijn over een zorgeloze dag thuis, 'een dag / van koffie, kamerjassen en geluk / om niks'. Er schuift geen wolkje voor de zon, maar de zon zelf. Een innerlijke zon? Na eerste lezing blijf je met een paar vragen zitten. Vandaag heeft de 'je' (die ik lees als een verhuld 'ik') bijvoorbeeld niemand beschaamd, ook zichzelf niet. Is een gelukkige dag voor hem dan een uitzondering? En wat moet je met de opmerking dat dit gedicht niet nodig is? Het is er toch? En waar zou je een gedicht voor nodig hebben?

Vreemd is ook dat 'A day in bed' cursief is afgedrukt, waardoor het extra nadruk krijgt. De hoofdletter 'A' is ook gek; dat verwacht je niet na een komma. Even googelen: het is de titel van een ontroerend gedicht van Katherine Mansfield over een klein meisje dat ziek in bed ligt. Ze is bang dat iedereen haar is vergeten, terwijl  er een harde, angstwekkende  wind waait. Als het inderdaad om het gedicht van Mansfield gaat: waarom komt het juist nu bij hem op? Is hij zelf angstig? Probeert hij met een zelfvermaning  als 'Rust uit, het gaat je best' zijn angst te bezweren? Maar wat is er dan met hem aan de hand?

In de tweede strofe herinnert hij zich 'een woensdag van oud licht'. 'Heel vreemd', zegt hij, maar zo vreemd is dat niet. Hij wil doen alsof er niets aan de hand is, maar waarschijnlijk heeft het klasje dat buiten loopt een akelige herinnering opgeroepen. Het lijkt erop dat hij vroeger als schooljongen te water is geraakt: 'wit / en heilig zwem je weg.' Wit, de kleur van de dood: hij leek uit het leven te zwemmen, hij verdronk bijna. Het klasje uit de derde strofe loopt niet in 'oud licht' dit keer, maar in 'het licht' en zo worden de tweede en derde strofe met elkaar in verband gebracht. Is de dichter bang dat er iets gebeurt?

Volgens mij is dit een gedicht over angst en het schrijven ervan is een middel om die angst bezweren. Het is in dit geval niet nodig, zegt hij, maar het is er intussen wel. Met andere woorden: hij neemt zichzelf ook met die opmerking in de maling. Het gedicht is wel degelijk nodig.

Ik ben er zelf nog niet klaar mee. Ik weet niet goed wat ik moet denken van het zinnetje 'Je hebt vandaag geen mens beschaamd, / laat staan jezelf.' Ik houd me aanbevolen voor suggesties.

Over de klank, het ritme en het inspringen van de regels heb ik het niet gehad, want dan zou dit stukje te lang worden. Maar als u erover nadenkt, wordt u vast beloond.

 

 

 

Menno Wigman

 

Waarom Libris
Boekbestellingen vanaf € 15,- GRATIS thuisbezorgd.
Kies uit meer dan een miljoen artikelen, waaronder ruim 25.000 Nederlandse ebooks.
Thuis bestellen en bezorgen of afhalen en betalen in de boekhandel.
Ruim 85.000 boeken op werkdagen voor 23.00 besteld, de volgende dag bezorgd
Volg uw bestelling via Track & Trace van PostNL
Bijna 100 aangesloten kwaliteitsboekhandels.
pro-mbookslibr3 : libris